Opinie

Vlees, wodka en tutoyeren

Frits Abrahams

Op één dag bereikten mij drie verbazingwekkende zinnen, twee gesproken, de derde geschreven. Hoewel ik niet weet of het Opperwezen ze mij met een speciale bedoeling opstuurde, wil ik ze toch graag met de lezer delen.

„Als een dier het goed heeft gehad, dan proef je dat.”

Deze zin stond op een bestelauto van de horecaslager Hesseling Vlees uit Purmerend. Ik moest meteen denken aan onze katten die het altijd goed bij ons hebben gehad, al heb ik dat gelukkig nooit hoeven proeven. Of je het kunt proeven aan het vlees van de restaurants die door Hesseling Vlees bevoorraad worden, valt alleen proefondervindelijk – het woord lijkt ervoor uitgevonden – vast te stellen. Dat wordt een duur, maar hopelijk geen taai karwei. Blijft de vraag of de dieren van Hesseling Vlees ook zelf vonden dat ze het goed hebben gehad, hun ervaringen in het abattoir even daargelaten.

„Heeft u ook wodka van boven de zeventig procent?”

De vraag werd gesteld door een jong paar in een bekende drankwinkel. De verkoper wist het antwoord niet, kwam achter zijn balie vandaan en ging bereidwillig op zoek in de schappen. Ik weet niet hoe het afgelopen is, ik moest weg. Thuis zocht ik het normale alcoholpercentage van wodka op: tussen de 35 en 70 procent. Mij dunkt – hoog genoeg. Hoe dronken wil een mens worden als hij een nóg hoger percentage nastreeft? Maar misschien is dat een te moralistische vraag en moet je gewoon vaststellen: als een mens het goed wil hebben, dan drinkt hij wat.

„Ga jij de komende weken nog naar een museum?”

De vraag stond vet afgedrukt boven een brief die was gericht aan „Beste heer Abrahams” en geschreven door Mirjam Moll, directeur Museumvereniging/ Stichting Museumkaart. Zij wijst erop dat mijn museumkaart binnenkort verlopen is en dat ik een nieuwe kaart alleen nog met een acceptgiro of digitale overboeking kan betalen.

Ik wil haar het volgende antwoorden.

„Beste vrouw Moll, ik sta er niet op om met ‘Geachte heer’ te worden aangeschreven, maar dat ‘Beste heer’ is een tweeslachtige variant. U vond ‘Geachte heer’ kennelijk te eerbiedig klinken, maar wilde nog iets van respect tonen met het gehandhaafde ‘heer’. Ik vrees nu dat het de volgende keer ‘Heer Abrahams’ wordt, een wel heel schrale oplossing, soms ironisch bedoeld, maar meestal gekozen door mensen met slechte manieren. U kunt er beter ‘Beste meneer Abrahams’ van maken – dan ben ik definitief van een heer in een meneer veranderd en ken ik mijn plaats.

Toch vraag ik me af wat er nu eigenlijk tegen dat ‘Geachte heer’ (of mevrouw) is. Heeft u opeens minder achting voor uw klanten gekregen nu u directeur van een culturele instantie bent? Vindt u misschien dat al die snobistische museumgangers met hun armzalige kortingskaart maar eens een toontje lager moeten zingen? Want wat verbeelden die luitjes zich wel niet?

Verderop in uw brief blijft u mij consequent tutoyeren. Kennen wij elkaar misschien ergens van of ben ik iets vergeten? Ik heb niets tegen tutoyeren, ook niet door mensen die veel jonger zijn dan ik, maar als je elkaar helemaal niet kent, is het gebruikelijk om even te overleggen: wel of niet. U bent niet de enige instantie die aan deze mode meedoet, maar juist van een Museumvereniging zou je verwachten dat ze het goede bewaart.”