Schabouwelijk Nederlands

Ewoud Sanders

Woordhoek

Ooit biggelde bij sommige mensen edel bloed door de aderen of voelde men zweet of dauw over het lijf biggelen, maar dat is taal uit het tijdperk dat we tot voor kort onbekommerd de Gouden Eeuw noemden.

Tegenwoordig kom je biggelen vrijwel alleen tegen in combinatie met tranen en logischerwijs zijn dan ook de wangen vaak nabij. „Hij hoort zijn meisje scharrelen en de tranen biggelen hem over de wangen”, schreef P.F. Thomése in 2010, en zo zijn er duizenden voorbeelden te vinden.

Uitzonderingen zijn er natuurlijk ook. In een NRC-recensie stond onlangs de zin „Op de maat van een biggelende baslijn gaat de Carthaagse schone ten onder aan acuut liefdesverdriet.” Maar de min of meer versteende combinatie, want daar hebben we het hier over, is biggelende tranen.

Zwoel gaat met van alles een verbinding aan, zoel het liefst met (zomer)avond of -nacht. De betekenis is ‘aangenaam warm, zacht voor de tijd van het jaar’. De Dikke Van Dale vermeldt daarnaast een zoel windje. In een almanak uit 1813 vinden we een minder aangename, hardere variant hiervan in deze zogenoemde zei-spreuk: „Een zoel windje kan geen kwaad, zei Dirk, en liet er eenen vliegen dat zijn broek scheurde.”

Moederziel alleen danken wij aan het Duits, waar ze mutterseelenallein zeggen. In deze krant trof ik zinnen aan als: moederziel alleen over de Lijnbaan, over de Dam, in de kroeg, in het congrescentrum. Dit duo is zó bekend, dat Hans de Roo het durfde te halveren in zijn gedicht ‘Den Haag’: „Zonnestralen begieten juichend het rozenpark,/ een enkel stapelwolkje drijft moederziel naar zee.”

Klinkklaar – eveneens een overblijfsel uit de zeventiende eeuw – verbinden wij tegenwoordig het vaakst met onzin, nonsens of bullshit. Hetzelfde geldt voor baarlijk dat ‘zich onbedekt vertonende’ betekent en ook voorkomt in de combinatie baarlijke duivel (‘de duivel in eigen persoon, zonder vermomming’).

Snood dateert al uit de Middeleeuwen en betekende ‘slecht of kwaad in zedelijke zin, boosaardig’. Aan het eind van de achttiende eeuw, in de Patriottentijd, werd van Willem V, de Prins van Oranje, gezegd dat hij „een snoode guit was en een dief en dwingeland”.

Het eerste snode plan – nu het meest gangbare stel – duikt bij mijn weten pas in het begin van de negentiende eeuw op. In deze krant vond ik het afgelopen decennium ook snode opkopers en snode huis-aan-huisverkopers, maar in vergelijking met snode (belasting)plannen, plannetjes en listen waren zij ver in de minderheid.

In een stief kwartiertje, bijvoorbeeld met gezwinde pas lopend over grazige weiden waar de bloemen welig tieren, kun je een hachelijk avontuur beleven waarbij je het vege lijf moet redden om te ontsnappen aan een wisse dood. Voortschrijdend inzicht leert verder dat aperte leugens, boude of schampere beweringen over nipte overwinningen, heikele punten of voldongen feiten ertoe kunnen leiden dat je, na ampele overwegingen, met lede of geloken ogen onverrichter zake op je schreden moet terugkeren.

Van alle inzendingen van dergelijke min of meer versteende woordcombinaties vond ik schabouwelijk Nederlands spreken het leukst, want die kende ik niet. Dit betekent ‘zeer bedenkelijk, heel slecht’ Nederlands spreken. Schabouwelijk schrijven kan ook. Zie de vorige alinea.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders