IMF: financiële stabiliteit in gevarenzone

Monetair beleid Terwijl het IMF het beleid om de wereldeconomie draaiende te houden toejuicht, waarschuwt het ook voor de gevaren.

Chef-econoom van het IMF Gita Gopinath (op tv) beantwoordt vragen van de media tijdens een persconferentie over de World Economic Outlook.
Chef-econoom van het IMF Gita Gopinath (op tv) beantwoordt vragen van de media tijdens een persconferentie over de World Economic Outlook. Foto Shawn Thew/EPA

De maatregelen die worden genomen om de teruglopende wereldeconomie te stutten, kunnen zelf weer een bedreiging vormen voor de financiële stabiliteit. Dit stelt het Internationaal Monetair Fonds in zijn woensdag gepubliceerde halfjaarlijkse Global Financial Stability Report.

Opvallend is hoe deze waarschuwing in contrast staat met de aanbevelingen die het IMF doet in de World Economic Outlook die het dinsdag publiceerde. Daarin werd juist goedkeurend gesproken over de monetaire versoepeling die de centrale banken dit jaar hebben doorgevoerd.

Bronnen wijzen erop dat binnen de organisatie dan ook enige spanning is ontstaan tussen de afdeling van Tobias Adrian, hoofd financiële stabiliteit, en die van Gita Gopinath, de chef-econoom van het IMF.

Lees ook over de meest recente World Economic Outlook: Zwakste groei wereldeconomie in tien jaar

Zowel de Amerikaanse Federal Reserve als de Europese Centrale Bank heeft dit jaar het monetair beleid verder versoepeld. De ECB heeft haar negatieve rentetarief nog verder verlaagd en is overgegaan tot hernieuwde aankopen van staatsleningen. In de Verenigde Staten is de rente eveneens verlaagd, en koopt de centrale bank kortlopende staatsleningen in om krapte op de geldmarkt tegen te gaan.

Volgens het stabiliteitsrapport van het IMF is in landen die goed zijn voor 70 procent van de wereldeconomie het monetaire beleid verder versoepeld. Beleggers zouden hieruit de conclusie hebben getrokken dat de rentes ‘langer lager’ zullen zijn. Het bedrag aan staats- en bedrijfsleningen met een negatieve rente is opgelopen tot 15.000 miljard dollar (13.534 miljard euro). Dat is, om het in perspectief te zetten, ruim een zesde van de wereldeconomie. Dat neemt in de projecties van het IMF de eerstvolgende jaren niet of nauwelijks af.

China kwetsbaar

Opvallend is dat het IMF banken en huishoudens op dit moment tot de minst kwetsbare spelers in de wereldeconomie rekent, waar het de financiële stabiliteit betreft. Een uitzondering zijn banken en huishoudens in China. Die behoren tot de meest kwetsbare van alle onderzochte landen of economische blokken.

Ondernemingen zijn juist veel riskanter gaan opereren. Door de lage rente kunnen bedrijven veel goedkoper lenen dan voorheen. De hoeveelheid schuld die zij inmiddels op zich hebben genomen maakt hen wel kwetsbaar.

Banken en huishoudens zijn volgens het IMF op dit moment de minst kwetsbare spelers

Een recessiescenario dat de helft zo erg is als de financiële crisis van 2008 levert volgens het IMF een „ontnuchterende” conclusie op. De schuld van bedrijven die dan niet meer in staat zijn hun rente te betalen, loopt in dat geval op tot 19.000 miljard dollar. Deze probleemschuld is gelijk aan 40 procent van de bedrijfsschulden in de VS, China en de Europese Unie.

De grootste risicogroep vormen de zogenoemde niet-bancaire financiële ondernemingen. Dat zijn grote beleggers, levensverzekeraars en pensioenfondsen. De kwetsbaarheid in deze groep is verder gestegen in landen die samen goed zijn voor 80 procent van de wereldeconomie, en is „vergelijkbaar met het hoogtepunt van de financiële crisis” van elf jaar geleden.

Jacht op rendement

De steeds lagere rente heeft beleggers, verzekeraars en pensioenfondsen ertoe gebracht steeds grotere risico’s te nemen in hun jacht op de laatste resten rendement. Pensioenfondsen hebben bijvoorbeeld steeds meer geld gestopt in private equity (overnames en saneringen van bedrijven) en onroerend goed. Het aandeel van deze beleggingscategorie in hun beleggingsportefeuilles is in de afgelopen tien jaar verviervoudigd tot 20 procent.

Omdat beleggers, verzekeraars en pensioenfondsen door de lage rente min of meer dezelfde strategie hebben, lijken hun portefeuilles erg op elkaar. Dat betekent dat paniekverkopen elkaar kunnen versterken, en dat er door hun internationale karakter ook makkelijk besmetting kan optreden tussen verschillende nationale markten.

Het Global Financial Stability Report wijst op een „kennelijke” overwaardering van aandelen in met name de VS en Japan. Ook heeft de aankoop van steeds riskantere bedrijfsleningen de koersen van die leningen opgedreven, waardoor hun effectieve rente is gedaald. Daardoor is de extra rentevergoeding die deze leningen geven boven veilige staatsleningen nu zeer laag in verhouding tot het risico.

Dollarleningen

Een neveneffect van de lage rente in het Westen is dat opkomende landen meer zijn gaan lenen in de valuta’s van gevestigde industrielanden, met name Amerikaanse dollars. Buitenlandse schulden van opkomende landen waren in 2007 gemiddeld gelijk aan 100 procent van de waarde van hun jaarlijkse export. Dat is inmiddels gestegen naar 160 procent, hetgeen betekent dat de dollarschulden nu moeilijker af te lossen zijn met de dollars die met export worden verdiend.

De onderzoekers tonen zich kritisch over het feit dat het monetaire beleid zo soepel is in de huidige, late, fase van de economische cyclus. Een crisis die het gevolg kan zijn, bedreigt volgens hen „de welvaartsgroei op de middellange termijn”.

Het stabiliteitsrapport beveelt beter toezicht aan op de omvang van de bedrijfsschulden, en op de beleggingsstrategie van grote investeerders. „Beleidsmakers moeten nu optreden”, aldus hoofd van de stabiliteitsafdeling Tobias Adrian, „om de kwetsbaarheden te verminderen die de volgende economische recessie kunnen verergeren.”