Fast fashion maakt de wereld kapot

Modeboeken De kledingindustrie is vervuilend, waterverspillend en slecht voor mens en dier. Twee onlangs verschenen boeken concluderen: koop minder, was anders, repareer en upcycle.

Deze beelden komen uit de serie Segundas Pieles (Tweede Huid) van de Spaanse fotograaf Miguel Vallinas. Hij heeft zich proberen voor te stellen hoe dieren hun persoonlijkheid zouden uiten als ze kleding zouden kunnen dragen.
Deze beelden komen uit de serie Segundas Pieles (Tweede Huid) van de Spaanse fotograaf Miguel Vallinas. Hij heeft zich proberen voor te stellen hoe dieren hun persoonlijkheid zouden uiten als ze kleding zouden kunnen dragen. Foto's Miguel Vallinas

De mode-industrie gebruikt een kwart van alle chemicaliën die worden geproduceerd. Er is tot 2.700 liter water nodig om het katoen te kweken dat nodig is voor een enkel T-shirt. Een op de zes mensen op aarde werkt in de mode-industrie, nog geen 2 procent van hen verdient een leefbaar loon. De meeste kleding die wordt gemaakt, is van of bevat synthetische materialen, die bij het wassen micro-plastics loslaten. Van de meer dan 100 miljard kledingstukken die jaarlijks worden geproduceerd, wordt een vijfde niet verkocht.

De cijfers die modejournalist Dana Thomas noemt in haar net verschenen boek Fashionopolis - The Price of Fast Fashion and the Future of Clothes – een van de twee kritische boeken die dit jaar verschenen over de moderne mode-industrie – zijn duidelijk: mode heeft een enorme en negatieve impact op mens en milieu. Als bevolking en welvaart in het voorspelde tempo groeien, kopen we in 2030 bovendien nog eens 63 procent meer.

Grootste boosdoener volgens Thomas: „de wereldwijde explosie van fast fashion”, die van mode een wegwerpproduct heeft gemaakt – in 2014 werden twee keer zoveel kledingstukken gemaakt als in 2000. Terwijl de prijzen voor goederen in die periode stegen, werd kleding goedkoper. Amerikanen gooien twee keer zoveel kleding weg als twintig jaar geleden.

Dat textielarbeiders in slechte omstandigheden moeten werken is niks nieuws. De katoenindustrie kwam tot bloei dankzij slavernij, en Friedrich Engels schreef in zijn boek The Condition of the Working Class in England (1845) al over de kommervolle omstandigheden van de textielarbeiders in Manchester, van wie de helft onder de 18 jaar was.

Dat zo veel textielarbeiders in ontwikkelingslanden, meestal vrouwen, nog altijd in slechte omstandigheden slecht betaald werk doen, komt door de niet te stelpen vraag naar goedkope kleding, en de fysieke afstand tussen de kantoren in het Westen en de fabrieken waar wordt geproduceerd. „We zien onszelf als ontwikkelder en humaner dan onze voorouders, meer woke. We denken dat we door zakken vol T-shirts van 5 dollar en jeans van 20 dollar geen schade aanrichten. Dat we zelfs goede banen creëren voor behoeftige mensen aan de andere kant van de wereld. Als je veel fabrieken hebt bezocht en met tientallen arbeiders hebt gesproken, weet je dat dat niet waar is.”

Thomas spreekt ook met mensen die bezig zijn met oplossingen. Eigenaren van relatief kleine Amerikaanse merken die in eigen land produceren. Een vrouw die natuurlijke indigo kweekt, als alternatief voor de voor mensen schadelijke synthetische variant die voor 99,9 procent van de jeans wordt gebruikt, start-ups die leer en zijde maken zonder dat er dieren aan te pas komen. De vrouw achter een belangrijke doorbraak: het kunnen scheiden van vezels katoen en polyester. Een derde van alle kleding is gemaakt van een vezelmix van katoen en polyester, maar tot kort geleden leek het onmogelijk de twee te scheiden, wat recycling onmogelijk maakte. Het is duidelijk dat al die ontwikkelingen nog aan het begin staan, maar een sprankje hoop bieden ze wel.

Repareer en upcycle

Consumenten roept Thomas op „te stoppen met gedachteloos te kopen”. „Koop minder, was anders, repareer en upcycle, denk na over het materiaal.” En: huur eens een kledingstuk.

Jammer is dat ze weinig gedachten wijdt aan de toekomst van de textielarbeiders in het hypothetische geval dat we massaal minder en lokaler gaan kopen. Alleen al in Bangladesh zijn zo’n vijftig miljoen mensen afhankelijk van de kledingindustrie.

In Thomas’ boek ligt de nadruk op mode van katoen en synthetische materialen, waar ongeveer 90 procent van alle kleding van is gemaakt. Maar er worden natuurlijk ook dierlijke materialen gebruikt in de mode-industrie, zeker voor tassen en schoenen.

Dankzij actiegroepen als PETA staan dierlijke materialen de laatste tijd onder druk. Ieder jaar weer kondigen grote modehuizen aan geen bont meer te gebruiken. Angora is in de ban gedaan vanwege de wrede behandeling van de konijnen die het haar leveren voor de wol, mohair (afkomstig van angorageiten) om dezelfde reden. Dons ligt onder vuur omdat er ondanks verboden toch eenden levend zouden worden geplukt. Nadat PETA dit voorjaar een filmpje online zette waarin te zien is hoe Chinese geitenhouders de zachte keelharen van geiten met geweld lostrokken, kondigde H&M aan na 2020 geen kasjmier meer in te kopen. De Britse onlineshop Asos gebruikt naast angora, kasjmier en mohair ook al geen zijde meer, omdat de rupsen worden gedood.

Lees ook: Hoe H&M van zijn kledingberg afkomt

Wol wordt tot nu toe niet geboycot door bekende merken, maar als het aan PETA ligt, verandert dat snel: „Wol is het resultaat van verschrikkelijk misbruik”. Berucht is het zogenaamde mulesing: het weghalen van huid rond de anus, om te voorkomen dat insecten er eieren leggen.

Als je de misstanden in de veehouderijen erbij betrekt, en de milieuschade die die oplevert, lijkt het onderhand beter om kleding gemaakt van dierlijke materialen helemaal te mijden, nog afgezien van de morele vraag of je dieren überhaupt zou moeten doden.

Dat is niet de mening van Melissa Kwasny, die in Putting on the Dog modematerialen van dierlijke afkomst onder de loep neemt. Zonder dierlijk materiaal, stelt zij, zou de mode nog afhankelijker worden van het schadelijke katoen en polyester (en eveneens belastende alternatieven als viscose). „Dierlijke producten zijn biologisch afbreekbaar, gaan langer mee en hoeven minder vaak te worden gewassen” aldus Kwasny. „En, als ze duurzaam worden gekweekt, komen er geen pesticiden in het ecosysteem terecht.”

De enorme vraag naar kasjmier heeft ervoor gezorgd dat grasgebieden waar de geiten leven zo leeggegrazen zijn dat er woestijnvorming optreedt

Net als Thomas is Kwasny op pad gegaan. Ze kijkt hoe er met dieren wordt omgegaan, en zoekt „de verbinding met de bron van de materialen”, die wij zijn kwijtgeraakt. Kwasny bezoekt onder meer een slachthuis, een leerlooierij, een kasjmiergeiten- en een schapenhouder, een zijdekweker, een donshandelaar en een nertsenfokkerij.

Grote misstanden ontdekt ze niet, al noteert ze bijvoorbeeld wel dat de enorme vraag naar betaalbare kasjmier ervoor heeft gezorgd dat grasgebieden waar de geiten leven zo leeggegraasd zijn dat er soms woestijnvorming optreedt.

Hier en daar vermoed je dat Kwasny – geen modejournalist maar dichter en essayist – niet helemaal is ingevoerd. Met de praktijk van het mulesing lijkt ze bijvoorbeeld niet goed bekend, en ze gaat erg mee met de Deense nertsenhouders die ze bezoekt. Het eten voor de dieren wordt elke dag vers aangeleverd! Er gaat ginseng door!

Snuff movies

Toch biedt haar boek een verfrissend tegenwicht aan bijvoorbeeld PETA , waarover ze iemand laat zeggen dat het snuff movies van dierenleed verspreidt, die niet altijd zijn opgenomen op de plaatsen die erbij worden vermeld. En ja, zijdewormen worden gedood, maar als ze zouden blijven leven, aldus een deskundige, „zouden er niet genoeg mulberrybladeren op de wereld zijn om ze te voeden.”

Is dat genoeg reden om zonder gewetenswroeging zijde te kopen? Kwasny laat het aan de lezer, al vraagt ze die wel bewuster, dankbaarder en terughoudender om te gaan met mode. Haar advies verschilt niet wezenlijk met dat van Thomas: „Koop kleding, maar niet erg veel, en vooral kleding die gemaakt is van dieren en planten. Koester het en zorg ervoor.”