Recensie

Recensie Beeldende kunst

De leliebladeren van Monet: als voetstappen op een spiegelvloer

Tentoonstelling Het Kunstmuseum in Den Haag toont het late werk van Claude Monet (1840-1926). Weer is de vraag: klinkend slotakkoord of tragisch einde?

Claude Monet: De Waterlelievijver (1899, Olieverf op doek, 88,3 x 93,1 cm)
Claude Monet: De Waterlelievijver (1899, Olieverf op doek, 88,3 x 93,1 cm) Foto National Gallery Londen

In 1890 kocht Claude Monet, opperhoofd der Franse impressionisten, een groot landhuis in het dorpje Giverny, zo’n 45 kilometer ten westen van Parijs. Hij bewoonde dat huis al zeven jaar als huurder, maar nu het officieel van hem was besloot hij te investeren in een nieuw atelier en, in 1893, in een uitbreiding van de tuin. Hij kocht een stuk land aan de andere kant van een spoorlijn (tegenwoordig een autoweg), dat vanuit zijn eerste tuin te bereiken was via een tunnel.

Op het nieuwe perceel liet hij een vijver aanleggen die in verbinding stond met het riviertje de Epte. Er werd een bruggetje geplaatst naar Japans voorbeeld, er werden treurwilgen en blauweregens geplant en op de vijver kwamen waterlelies, heel veel waterlelies.

Monet bleef tot zijn dood in 1926 in Giverny wonen. In de laatste twintig jaar van zijn leven schilderde hij er hoofdzakelijk de watertuin.

Toen zijn eerste paysages d’eau (waterlandschappen) in 1909 geëxposeerd werden in Parijs, noemde de criticus Louis Gillet ze ‘onderstebovenschilderijen’: weerspiegeld in de vijver groeiden de bomen van bovenaf het beeld in, richting de wolkenhemel die de onderste helft van het doek besloeg.

Wat de composities nog duizelingwekkender maakte, was dat er ook slierten treurwilg of blauweregen voor de weerspiegelde bomen hingen en dat Monet door de reflecties heen soms iets probeerde weer te geven van wat zich vlak ónder de waterspiegel bevond.

„De pure abstractie van de kunst kan niet verder gaan”, schreef Gillet, maar later in de twintigste eeuw zou blijken dat hij zich daarin vergiste. Monet schilderde weliswaar vloeiende motieven, in uitsnedes die de kijker weinig houvast boden en een steeds lossere schildertrant, maar zuiver abstract waren zijn schilderijen niet. Hij ging altijd uit van een voorstelling, en die voorstelling wordt alweer leesbaarder zodra er waterlelies in het spel zijn. Leliebladeren liggen dan op de vijver als voetstappen op een vloer. Ze definiëren die spiegelvloer als perspectivisch vlak.

Bloemenaquarium

Dus abstract, nee. Maar decoratief, dat wel. Vanaf 1914 werkte Monet aan een ambitieus project dat hij de grandes décorations noemde: een reeks grote schilderijen van lelies en reflecties. Het liefst wilde hij daarmee alle wanden van een zaal decoreren, zodat bezoekers zich in een ‘bloemenaquarium’ zouden wanen. Met zijn vriend, de politicus Georges Clemenceau, kwam hij overeen dat hij de belangrijkste schilderijen uit de reeks aan de Franse staat zou schenken. Twee zalen van de Orangerie in Parijs werden verbouwd om de grandes décorations te huisvesten, maar Monet bleef de schenking telkens uitstellen, omdat hij geen afstand van de doeken wilde doen. „Als een haai die verdrinkt wanneer hij met zwemmen stopt, zo lijkt Monet te hebben gedacht dat hij zou sterven als hij ophield met schilderen”, schrijft Ross King in zijn (warm aanbevolen) boek over Monets waterlelies uit 2016. „Tegen de zomer van 1920 was het duidelijk dat hij de grandes décorations zou blijven schilderen tot het einde.”

Je begrijpt waarom abstracten als Pollock en Twombly voor deze schilderijen vielen

De schenking werd een postume. Een half jaar na Monets dood, in mei 1927, gingen de waterleliezalen in de Parijse Orangerie open. De reacties waren lauw, enerzijds omdat het impressionisme als moderne kunststroming inmiddels op zijn retour was, anderzijds omdat bij Monets late, los geschilderde vijvers altijd de vraag komt bovendrijven: koos hij bewust voor die verregaande vereenvoudiging en vergroving van contouren en kleuren, of hing zijn radicale schildertrant samen met zijn sterk verminderde zicht? Vanaf 1912 had Monet namelijk te kampen met dubbele staar. Na verschillende operaties ervoer hij vormen als wazig en kleuren als verstoord. „Zowel de natuur als mijn schilderijen komen me afstotelijk voor”, schreef hij in 1923 aan Clemenceau. Evengoed bleef hij schilderen.

Toen het Haags Gemeentemuseum in 1952 een Monet-retrospectief organiseerde, beschreef kunsthistoricus A.M. Hammacher de late vijverschilderijen in de Groene Amsterdammer als „vluchtende, machteloze, schimmige beelden” en concludeerde: „Tragisch, dat slot.” Nu, 67 jaar later, is er weer een Monet-tentoonstelling in het Kunstmuseum in Den Haag, zoals het Gemeentemuseum sinds kort heet, en deze keer staan de watertuinen centraal.

Een relatief vroege Waterlelievijver (1899) uit de National Gallery in Londen is nog een aantrekkelijke, vertrouwd impressionistische Monet. Onder de Japanse brug kruisen horizontale kluitjes waterlelies en verticale reflecties van lissen en treurwilgen elkaar in licht- en schaduwbanen.

Claude Monet: Waterlelies (1916-1919, olieverf op doek, 150 x 197 cm)
Foto National Gallery Londen
Claude Monet: Waterlelies (1916-1919, olieverf op doek, 150 x 197 cm)
Foto Musée Marmottan

Kermitgroen

De latere schilderijen zijn aarzelender geschilderd en soms zelfs ronduit modderig van kleur en toets. Maar in een schilderij uit de Fondation Beyeler in Bazel (1916-1919) drijven kermitgroene leliebladeren op een vijver die stralend blauw, paars, wit en roze reflecteert. Plaatselijk doet het aan Kokoschka denken. Weer een andere vijver, uit het Musée Marmottan in Parijs (1917-1919), lijkt niet geschilderd maar in verflijnen geschreven; het wit van het doek is zichtbaar tussen de regels. Je begrijpt wel waarom Amerikaanse abstracten als Jackson Pollock en Cy Twombly voor deze schilderijen vielen – en daarmee de naoorlogse herwaardering van Monets late werk in gang zetten.

Misschien moeten we niet te veel oordelen, in Den Haag: wel of niet gelukt, klinkend slotakkoord of tragisch einde. Misschien moeten we maar gewoon kennisnemen van wat een groot schilder in zijn laatste jaren nog van het leven probeerde te maken. Kijken wat hij wilde en hoe hij het deed, ondanks alles. De kijkomstandigheden zijn ideaal: een kleine veertig late Monets hangen in zes van de mooiste schilderijenzalen van Nederland, waar het licht verandert als er een wolk voor de zon schuift. Net als buiten in een tuin.