Opinie

Voetbal is oorlog en oorlog is voetbal

Lotfi El Hamidi

Er was een tijd dat voetbalwedstrijden tussen Nederland en Duitsland beladen waren. Vanwege het oorlogsverleden. In aanloop naar zo’n wedstrijd kon je horen dat mensen hun fiets nog terug wilden en viel nog geregeld het scheldwoord moffen. Maar wie tegenwoordig nog zulke taal bezigt wordt, terecht, niet meer serieus genomen.

Voor andere landen daarentegen voelt zelfs het verre verleden nog altijd aan als hedendaagse geschiedenis, en geldt het voetbalveld als een symbolisch slagveld. Zo weigert de Argentijn Diego Maradona nog altijd excuses aan te bieden voor zijn goal met de hand tegen Engeland in de kwartfinales van het WK in 1986, en noemde het doelpunt in de recente documentaire over zijn persoon „wraak voor de Falklandoorlog”.

In aanloop naar de EK-kwalificatiewedstrijd tussen Frankrijk en Turkije afgelopen maandag vond de radicaal-linkse Franse oppositieleider Jean-Luc Mélenchon dat Turkse voetballers die een militair saluut brengen, zoals ze dat vrijdag deden tegen Albanië, maar beschouwd moeten worden „als soldaten van een vijandelijk leger”, en stelde voor om de wedstrijd te boycotten. Die ging uiteraard door, en de Turken lieten zich niet intimideren door felle kritiek of waarschijnlijke sancties van de UEFA. Na de gelijkmaker brachten ze wederom een saluut, samen met de vele Turkse fans in het Stade de France.

Het is trouwens niet de eerste keer dat het Stade de France het toneel is van controversiële politieke uitingen. Ik herinner me een vriendschappelijke wedstrijd tussen Frankrijk en Algerije eind 2001, althans, wat voor vriendschappelijk moest doorgaan. In de roerige periode na 9/11 richtten de opgefokte Frans-Algerijnse fans hun pijlen op Zinedine Zidane. Omdat de vader van Zidane een harki zou zijn geweest, een collaborateur in de Algerijnse Oorlog (1954-1962), werd de sterspeler van Frankrijk de gehele wedstrijd door Algerijnse Fransen uitgefloten en beschimpt. Zidane beschouwde het als het grootste dieptepunt van zijn carrière.

Spreken we over oud zeer, dan valt in ieder geval de Balkan niet te overtreffen. Illustratief was de provocatie van Xherdan Shaqiri, de Zwitserse speler met Kosovaars-Albanese roots, die na zijn doelpunt tegen Servië vorig jaar op het WK in Rusland met zijn handen de dubbele adelaar uitbeeldde, een verwijzing naar de vlag van Albanië. Hij werd daarna het mikpunt van Servische fans, waarvan overigens een deel met legerpetjes en Mladic-truien het stadion bevolkte.

Politiek en sport dienen gescheiden te blijven, zo probeert de UEFA vol te houden. Maar uitgerekend en onvermijdelijk in het voetbal, volkssport nummer één, worden nationalistische sentimenten opgeklopt. Een keer in een leeg stadion spelen als straf is dan al gauw niets meer dan een offer voor het vaderland.

Lotfi El Hamidi (L.elHamidi@nrc.nl @Lotfi_Hamid) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.