Ja, er is onzekerheid over de metingen, maar niet over de conclusie

Rekenmodellen De berekeningen van het RIVM voor stikstofneerslag worden door boeren in twijfel getrokken. Is de kritiek gegrond?

Een meetstation van de RIVM aan de Luttenbergerweg in Hellendoorn. Foto Vincent Jannink/ANP
Een meetstation van de RIVM aan de Luttenbergerweg in Hellendoorn. Foto Vincent Jannink/ANP

Er is veel kritiek van boeren op de stikstofcijfers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waar het kabinet zijn beleid op baseert. Volgens de critici zijn er te weinig meetpunten, staan sommige meetstations te dicht bij boerenbedrijven en wordt teveel nadruk gelegd op de modellen in plaats van daadwerkelijke metingen. Bijvoorbeeld het Mesdag Zuivelfonds, een belangenorganisatie van melkveehouders, trekt daarom in twijfel dat de landbouw verantwoordelijk is voor 46 procent van de neergeslagen stikstof in Nederlandse natuurgebieden. Is die kritiek gegrond? Vier vragen over de cijfers van het RIVM.

Lees ook: Vertrouwen in wetenschap is groot, totdat de feiten mensen niet aanstaan

1 Wat doen de modellen?

Onder meer het CBS, onderzoeksinstituut TNO en het RIVM verzamelen al jaren gegevens over hoeveel stikstof alle verkeer, luchtvaart, industrie en landbouw uitstoten. Met modellen die lijken op die waarmee weersvoorspellingen worden gedaan, wordt het verloop van de luchtconcentraties berekend en bepaald hoe de stikstof zich verspreidt. Dit gebeurt op basis van metingen en schattingen die worden verzameld op emissieregistratie.nl. „Het RIVM rekent de verspreiding op een heel hoge resolutie uit”, zegt Martijn Schaap, hoogleraar atmosferische chemie aan de Freie Universität in Berlijn. Hij is ook verbonden aan TNO, en werkte daar aan verspreidingsmodellen van onder meer stikstof in Duitsland. „Als je weet waar een bepaald soort boerderij staat, kan je de verspreiding uitrekenen.” De uitkomsten van de modellen worden volgens het RIVM altijd met de meetpunten gevalideerd.

2Wat is er volgens critici mis met de meetpunten?

Het Mesdag Zuivelfonds uitte eerder kritiek op de plaatsing van twee van de 35 ammoniakmeetpunten van het RIVM. Die in Vredepeel staat dichtbij een pluimveebedrijf, de ander boven „een stinkende rioolput waar ammoniak uit vrijkomt”. De ammoniakmetingen zijn daardoor vertekend en te hoog, zegt het fonds.

Maar die punten worden al een paar jaar niet meer gebruikt voor het maken van de verspreidings- en neerslagmodellen van stikstof in Nederland, laat een woordvoerder van het RIVM weten. Wel worden de stations gebruikt voor het ijken van apparatuur en om de landelijke ontwikkelingen wat betreft ammoniak bij te houden. Daarbij houden de onderzoekers rekening met het mogelijk verhoogde concentratieniveau op het meetpunt.

3Blijft de uitgestoten stikstof van een boerenbedrijf vooral op het omliggende land?

Volgens critici, waaronder weer het Mesdag Zuivelfonds, komt de ammoniak vooral op het boerenerf terecht en maar mondjesmaat daarbuiten, zoals in natuurgebieden.

Het klopt dat ammoniak dichter bij de bron neerslaat dan stikstofoxiden (NOX) die vooral door het verkeer en industrie worden uitgestoten, zegt Addo van Pul, onderzoeker bij het RIVM. „Maar in de studie waar de critici zich op baseren, staat dat je tot enkele honderden meters de bijdrage van de boerderij kunt zien. Daarna verdwijnt die bijdrage in de achtergrond. Het dunt dus snel uit, maar als je naar alle duizenden bronnen kijkt dan geven al die bijdrages bij elkaar wel een hoog niveau. En dát is wat in de natuurgebieden terechtkomt.”

4 Hoe groot zijn de onzekerheden in de modellen?

Er zijn twee soorten onzekerheid: in de berekening van de emissie (uitstoot) en vervolgens in de berekening van de depositie (neerslag) op het land. De gemiddelde onzekerheid in de emissies uit de landbouw wordt door het RIVM en TNO geschat op zo’n 25 tot 30 procent. Per boerderij kan dat oplopen tot zelfs 70 procent. Dat lijkt groot, maar deze onzekerheden komen vaker voor in de wetenschap. „Voor ieder staltype wordt een aparte schatting gemaakt, maar in de praktijk gaat iedere boer anders om met de mest en ventilatie in de stal”, zegt Wim de Vries, hoogleraar milieusysteemanalyse in Wageningen.

Ook zit een grote onzekerheid in het berekenen van de depositie, zegt RIVM-onderzoeker Addo van Pul. „Maar wanneer over een langere tijd de concentratie in de lucht en daarna de neerslag op het land wordt gemeten, dan kun je wel degelijk goed in kaart brengen wat de bronnen zijn.”

Lees ook: RIVM: landbouw is wél boosdoener schade aan natuur

Toch beïnvloeden die onzekerheden de eindconclusie niet. Want zelfs als de bijdrage van de landbouw aan de neerslag van stikstof in natuurgebieden in werkelijkheid die 30 procent lager zou zijn (de gehanteerde 46 procent zou dan ruim 32 procent worden), dan nog blijft het grote verschil met het verkeer en industrie (die dan in bijdrage zouden toenemen) bestaan, zegt Van Pul. Hoogleraar Schaap is het daarmee eens. „Ook als je andere modellen gebruikt, blijft de voornaamste conclusie – dat de Nederlandse landbouw hoofdverantwoordelijke is voor de stikstofdepositie – overeind.”

Waar en hoe wordt de neerslag van stikstof (N) gemeten?