Vertrouwen in wetenschap is groot, totdat de feiten mensen niet aanstaan

Wetenschap Boeren betwisten data van het RIVM over de neerslag van stikstof in de natuur. Hoe gaan wetenschappers om met kritiek? „Het is belangrijk uit te leggen waar je mee bezig bent.”

De rookmachine van het RIVM.
De rookmachine van het RIVM. Foto Lex van Lieshout / ANP

Een beter model is er niet. Met die zuinige verdediging nam minister Schouten (Landbouw, Christenunie) het vorige week op voor de wetenschappers van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Zij zijn verantwoordelijk voor de berekening van de hoeveelheid stikstof in de Nederlandse natuur. Hun conclusie dat het merendeel daarvan afkomstig is van de landbouw, leidde tot kritiek van pleitbezorgers van de boerenzaak en sommige politieke partijen. Klopte het rekenmodel wel, en zijn er überhaupt betrouwbare data?

Het RIVM benadrukte nog eens dat hun methode al tientallen jaren wordt gebruikt en steeds is verfijnd, maar de critici lijken niet overtuigd.

Hoe ga je er als wetenschapper mee om als je werk opeens in het middelpunt van de maatschappelijke belangstelling staat en je bevindingen, die binnen het vakgebied relatief onomstreden zijn, ter discussie worden gesteld? Dat gebeurt nu met stikstof, maar eerder was er bijvoorbeeld ook ophef rondom vaccinaties.

Op het Rathenau Instituut wordt onderzoek gedaan naar dit soort vragen over het vertrouwen in de wetenschap, en naar de wisselwerking tussen kennis en beleid, zegt directeur Melanie Peters. „Vorig jaar hebben we drie bijeenkomsten georganiseerd rondom het stikstofdossier, waarbij vertegenwoordigers van de wetenschap, beleidsmakers, milieuclubs en boeren met elkaar in gesprek gingen. Wat mij betreft was de belangrijkste conclusie: de onvrede van betrokken partijen richt zich niet zozeer op data en modellen, als wel op de praktische consequenties die daaraan verbonden worden door beleidsmakers.”

Dat nu de data van het RIVM worden betwist, is volgens Peters niet waar de oplossing zit. „Eerst stond het model ter discussie. Toen dat niet terecht bleek, week men uit naar de meetgegevens die erin verwerkt worden. Dat gebeurt vaker als mensen het niet eens zijn met de uitkomst van onderzoek: dan worden ze boos op de techniek. Maar die boosheid gaat eigenlijk over de mogelijke impact op hun leven.”

Vertrouwen in wetenschap is groot

Want het maatschappelijk vertrouwen in de wetenschap is groot, benadrukt Peters. „Dat zien we jaar op jaar in ons onderzoek. Van alle instituties scoort de wetenschap het hoogst, hoger dan bijvoorbeeld de rechtspraak, vakbonden en de politiek. Je hoort tegenwoordig wel eens dat veel mensen wetenschap ook maar een mening zouden vinden, maar dat blijkt niet uit de cijfers.”

Dat wil niet zeggen dat de wetenschap haar feiten zomaar de maatschappij in kan slingeren, zegt Peters. „Het is belangrijk om uit te leggen waar je mee bezig bent. Dat doe je beter niet door tijdens een tv-talkshow in een Jan-Klaassen-en-Katrijn-setting ruzie te gaan maken met activisten. Zoek contact met het maatschappelijk middenveld – met boerenbonden en patiëntenverenigingen – en vooral met beleidsmakers. Want zij zijn uiteindelijk degenen die moeten komen tot een rechtvaardige afweging van alle belangen. Laat ze zich daarbij niet verschuilen achter ‘de wetenschap’. Ja, de feiten staan vast, maar wat we daarmee doen, is een keuze.”

Jet Bussemaker heeft de spanning tussen wetenschap en maatschappij van twee kanten gezien. Ze zat jarenlang namens de PvdA in de politiek, onder meer als staatssecretaris van Volksgezondheid en minister van Onderwijs. Ze is nu hoogleraar beleid, wetenschap en maatschappelijke impact bij de Universiteit Leiden. „Ik denk dat de wetenschap soms onderschat hoeveel moeite het mensen kost om te begrijpen waar wetenschappers mee bezig zijn. Combineer dat met de kracht van sociale media, waar een paar tweets de hele discussie kunnen ontregelen, en je begrijpt dat er werk aan de winkel is.”

Dat merkte ze voor het eerst toen ze als staatssecretaris verantwoordelijk was voor de invoering van de vaccinatie tegen HPV, het virus dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken. „Minister Ab Klink en ik vonden dat dit niet door een politicus moest worden toegelicht, dus hadden we Roel Coutinho van het RIVM gevraagd het te doen. Die zette een frame neer dat wij begrepen, over wetenschappelijke kennis die tot een onvermijdelijke conclusie leidt. Met verbazing heb ik daarna gezien dat dit bij veel mensen niet aankwam. Ik ben dat pas later gaan begrijpen.”

Ratio is niet allesbepalend in dit soort kwesties, ontdekte Bussemaker. „Het gaat om emoties. Natuurlijk, je zal altijd een zakelijke argumentatie moeten geven voor je beslissingen, maar combineer die met andere instrumenten. Betrek bij de communicatie over stikstof of vaccinaties ook sociologen en psychologen. Als minister heb ik via de Wetenschapsagenda geprobeerd burgers vanaf het begin bij de formulering van vragen te betrekken, en niet pas bij communicatie over de resulaten.”

De spanning tussen de harde feiten van de wetenschap en emoties van mensen die ermee te maken krijgen, is ook goed, onderwijst Bussemaker haar studenten. „Neem die maar mee. Doe je werk niet in afzondering, maar laat ook die emoties de waarheid geen geweld aandoen. En uiteindelijk is het aan politici om een brug te slaan tussen de wetenschap en de belangen van alle betrokkenen.”