Opinie

We knikken elkaar toe, Raveels etsen en ik

Marjoleine de Vos

En al die dingen die je aan de muren hebt hangen. Kunst. Ach, zei iemand, „het is een hogere vorm van decoratie”. En soms denk je dat zelf ook weleens: een hogere vorm van decoratie. En wat is het ‘hogere’ dan eigenlijk? Reputatie, prijs, bedoeling? Als je naar een schilderij of een tekening kijkt en je ziet eigenlijk niets meer dan wat je ziet als je daarnaar kijkt – het vertrouwde van de kleuren en de vormen, het alledaagse van nu juist dit versiersel, wat is kunst dan. Geen idee.

Of dat erg is weet ik niet. We kunnen moeilijk van onszelf verlangen dat we voortdurend in diepe ontvankelijkheid enorm getroffen worden door de lijnen en kleuren van wat ons getekend of geschilderd omringt.

In een nieuw huis blijven de schilderijen vaak het langst wachten op een plek, net als veel van de speciaal mooie voorwerpen. Het is moeilijk te bepalen waar de dingen tot hun recht komen. Soms merk je dat verhuizen niet straffeloos gaat, dat het ding ook om een omgeving vroeg, net als jijzelf, en dat het ding ook ontheemd kan raken.

„Gij spiegels van mijn zielsverdriet” – wie schreef dat ook weer? O ja, de dichter J. Winkler Prins, en hij keek erbij naar de natuur: „O, plompenblad, bies, bloemen!” De natuur wordt in de kunst vaak als spiegel gebruikt, vaker dan dingen, hoewel – die ook. Alles kan ons spiegelen, of niet spiegelen maar verbeelden, zinnebeeldig zijn voor iets. Ach, symbolisten. De wereld is ook wat-ie is, zeg je dan streng tegen jezelf, laat de dingen eens met rust met die gedachten van je.

En toen hadden we dan eindelijk de vijf gekleurde etsen van Roger Raveel opgehangen, de Belgische kunstenaar die altijd frisse heldere kleuren gebruikte, helder geel, groen, blauw, rood – en wit. In zijn schilderijen staan ineens witte cirkels of vierkanten, een persoon is veranderd in een witte omtrek, een gezicht een leegte.

Waarom? Daarom.

De etsen die ik van hem heb zijn ook zo, je ziet er niet zo veel op, een grasveldje, het oningevulde gezicht van een man, een tafel met iets erop. En dus ook steeds een leeg vierkant of een lege cirkel.

Ik heb dat werk nooit erg begrepen. Ik vond de kleuren aantrekkelijk, en dat rijtje etsen op een of andere manier mooi. En nu hangt het weer en ik zat in de kamer en keek op uit mijn boek naar die etsen en ik dacht: Zo is het.

Niet alleen waren zowel de etsen als ik, door ons in dezelfde ruimte te bevinden, geheel op onze plaats, ineens leek dat werk me zonneklaar. Het was „plotseling heel helder te verstaan”, zoals Judith Herzberg eens schreef over Scarlatti.

Ga je weer met taal ertegenaan. Kwam dat weer neer op dat er zoiets is als een geheim in het gewoonste, het meest alledaagse. Rutger Kopland schreef over Raveel: „witte gaten waarin je ziet dat we van de dingen/ niet weten hoe ze zijn”.

Zoiets moet het wel zijn. Dat we van de dingen niet weten hoe ze zijn, en dat je dat ineens op een ochtend in een stoel, kijkend naar je eigen muur, diep tot je laat doordringen en dat dat op een wonderlijke manier troost, thuisbrengt, verzoent.

Maar dat doen die etsen niet. Die hangen daar gewoon met hun vertrouwde kleuren en hun vragen, alsof ze hebben gewacht, al die jaren, tot ze verstaan werden. Nu rusten mijn ogen elke dag even op ze en dan knikken we elkaar toe. Het geheim en ik.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.