Opinie

Handke of Willemsen

Frits Abrahams

Bij de Nobelprijzen voor Literatuur moest ik dit jaar eerbiedig zwijgen. Van Peter Handke had ik te weinig gelezen voor een goed oordeel, met het werk van Olga Tokarczuk was ik helemaal onbekend.

In de jaren zeventig had ik enkele boeken van Handke gelezen, maar er was me weinig van bijgebleven; kennelijk was ik niet enthousiast genoeg geworden om me verder in zijn werk te verdiepen. In die jaren was Leon de Winter een pleitbezorger van Handke in Nederland, later keerde hij zich van hem af. Handke kreeg aandacht van de literaire tijdschriften De Revisor en Raster, maar verder bestond er ook onder Nederlandse schrijvers weinig belangstelling voor hem, laat staan bij een breed lezerspubliek.

Ik rekende hem tot de schrijvers die zich met nogal experimenteel proza tegen de traditionele literatuur richtten. Toch was niet iedere experimentele auteur blij met hem. Zo heeft Jacq Vogelaar, bekend én berucht om zijn eigen experimentele proza, Handke al in die jaren „een zeer overschat” auteur genoemd. Volgens Vogelaar schreef hij „traditionele literatuur opgemoffeld met modieuze attributen”. Daarop nam J. Bernlef Handke in bescherming: „Hij wordt veel gelezen. En terecht.” „Handke”, zo analyseerde Bernlef, „beschrijft de ‘binnenwereld’ van mensen die het contact met de wereld niet meer kunnen maken.”

Vernietigend was Maarten ’t Hart in zijn autobiografie Het roer kan nog zesmaal om uit 1984: „Nooit ben ik somber geworden van enig literair werk, behalve dan van de boeken van de begaafde leugenaar Peter Handke. Maar die met ongeluk epaterende Oostenrijker kende ik toen nog niet.”

Wat zou ik nú van Handke vinden? Nieuwsgierig toog ik naar het antiquariaat, waar ik nog een redelijk gaaf exemplaar kon oogsten van Ongezocht ongeluk, de door Martin Mooij vervaardigde Nederlandse vertaling uit 1973 van Wunschloses Unglück. Het staat bekend als een van zijn beste, toegankelijkste boeken. Ik kocht het samen met een ander boekje waar toevallig mijn oog op viel: Een liefde in het Zuiden. De dood in Zuid, twee korte verhalen uit 1988 van August Willemsen.

Naar wie gaat mijn Nobelprijs?

Ongezocht ongeluk vond ik alleen bij vlagen een goed boek, vooral daar waar hij de uitzichtloze kant beschrijft van het leven van zijn intelligente moeder, die er niet in slaagt zich aan haar armoedige milieu in Karinthië te ontworstelen. Zij pleegt zelfmoord.

Toch greep het boek me niet bij de keel omdat Handke zijn verhaal regelmatig onderbreekt met vage, pretentieuze bespiegelingen. „Toen merkte ik dat ik mij op zoek naar formuleringen al van de feiten verwijderde. Daarna ging ik van de reeks beschikbare formuleringen, van de totale maatschappelijke taalvoorraad uit in plaats van de feiten en zocht daar uit het leven van mijn moeder die gebeurtenissen die in deze formuleringen al opgesloten lagen.”

Zulke irritante interventies in lelijk proza maken het boek onnodig afstandelijk. Daarom gaat mijn Nobelprijs naar Willemsen, die vooral in het voortreffelijke autobiografische verhaal De dood in Zuid een indringend beeld oproept van zijn jeugd in Amsterdam, inclusief een in de oorlog foute vader zonder wie het gezin naar Duitsland moet vluchten.

Ik ga meer van August Willemsen lezen. Dat kan ik niet zeggen van Peter Handke.