God op het vliegveld

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: een journalist in Kameroen die vluchtte en schoonmaker werd.
Illustratie Eliane Gerrits

Het is zes uur ’s middags, de lounge op het vliegveld is overvol. Mensen rennen af op de drank, kinderen op de bakken met pretzels en M&M’s. De vloer ligt bezaaid met rommel. Een grote zwarte man met een stoffer en een blik op lange stelen ruimt stilletjes het afval op. Een groep gehaaste mannen rent voorbij en duwt hem gedachteloos omver. Struikelend botst hij tegen me aan.

I’m so sorry”, zegt James — ik lees zijn naam op het naamplaatje op zijn schort. Ik raap zijn stoffer van de vloer terwijl hij overeind krabbelt.

„Waar kom je vandaan, James?”, vraag ik. Verrast kijkt hij op. Niemand hier vraagt hem als schoonmaker ooit iets, vertelt hij. Hij komt uit Kameroen. Daar was hij journalist. Maar wegens een kritisch stuk over de regering liep hij gevaar. Hij vond asiel in de Verenigde Staten, maar moest zijn gezin achterlaten. Hij probeert te schrijven, maar zijn Engels is lang niet zo goed als zijn Frans. Hij werkt eraan, zegt hij, tussen het schoonmaken door.

Ik vraag hem hoe hij het volhoudt. Hij moet toch moe worden van deze voortdurende chaos. En gefrustreerd dat hij zijn vak niet kan uitoefenen. Het is zwaar, zegt hij, en de mensen lopen letterlijk over hem heen, maar elke ochtend staat hij op in het besef dat in ieder geval God van hem houdt. Dat geeft moed.

In Kameroen woonde hij naast de kerk. Hij neemt demonstratief tien grote stappen opzij. Hij rolde vanuit zijn bed zo de dienst in. In New Jersey vond hij een presbyteriaanse gemeente waar hij zich thuis voelde. Maar die is nu overgenomen door Koreanen en hij verstaat er niets meer van. Vandaar dat hij verzeild raakte bij de baptisten.

Ik vertel hem over de keer dat ik bij zo’n dienst was. Hoe vreemd ik me voelde in trui en spijkerbroek, als enige witte tussen allemaal zwarten die eruit zagen alsof ze naar een gala gingen. Mannen in chique pakken, vrouwen in prachtige jurken in felle kleuren, hoge hakken, opgestoken haren onder hoedjes. En hoe aardig iedereen was. Ze heetten me welkom, vroegen mijn naam, schudden uitbundig mijn hand. En dan dat koor. Ik ging vanzelf meezingen.

Als ik over het zingen begin, gaat hij glimmen. „Ik voel me zo gelukkig wanneer ik zing”, vertelt hij. „Wil je mijn muziek horen?”

Hij opent een app op zijn telefoon en zet die op de tafel tussen de kopjes en glazen. Terwijl om ons heen mensen rolkoffers achter zich aantrekken, kinderwagens duwen en elkaar met hun ellebogen omverduwen, begint James, met in zijn ene hand de stoffer en in de andere hand het blik, de psalm mee te zingen.

Zachtjes wiegt hij heen en weer. Zijn stem klinkt luider en luider. Ik neurie mee. Halverwege druppelen twee grote tranen uit zijn ogen, die langzaam zijn wangen nat maken.

Ook ik houd het niet meer droog.

Dan geeft iemand hem een teken. Het is tijd om schoon te maken. Hij zingt de laatste strofe en bergt zijn telefoon op. „God bless”, zegt hij. En het voelt nu eens niet als een holle frase.

Reacties naar pdejong@ias.edu