Een geluk dat je in Nederland werkt - behalve als immigrant

Kenniseconomie De Nederlandse beroepsbevolking draait als een van de beste van Europa mee in de moderne economie. Maar Nederland laat ook steken vallen, blijkt uit een studie.

Illustratie iStock, bewerking Studio NRC

Ons werk verandert in de toekomst. Dat is geen verrassing. Maar hoe precies? Wat zijn de gevolgen? En is de bevolking van Nederland voldoende voorbereid op de arbeidsmarkt van de toekomst, die nog meer dan nu gekenmerkt gaat worden door flexibiliteit, kenniswerk en creativiteit?

Dezevragen zijn geanalyseerd door The Lisbon Council, een Brusselse denktank die in 2003 werd opgericht. Doel van The Lisbon Council: de concurrrentiekracht en de sociale samenhang in Europa versterken tijdens de overgang van het industriële tijdperk naar een netwerk- en kenniseconomie.

Het goede nieuws voor Nederland is dat de beroepsbevolking al goed meedraait in die moderne post-industriële economie. Digitaal zijn we sterk. We denken creatief. Bovendien zullen we ons relatief goed kunnen aanpassen aan nog komende veranderingen. Dat is tenminste de conclusie van de maandag gepubliceerde ‘The 2019 Future of Work Index’ van The Lisbon Council.

Nederland staat derde op de ranglijst van de 28 lidstaten van de Europese Unie. Alleen Zweden en Denemarken zijn nog toekomstbestendiger volgens de onderzoekers. Ze voegden zestien indicatoren samen, zoals de omvang van de nationale digitale industrie en het percentage volwassenen dat een cursus of opleiding volgt. Statistieken kwamen onder meer van Eurostat, de Wereldbank en uit eigen onderzoek.

De analyse laat ook zien dat Nederland steken laat vallen. We lopen bijvoorbeeld ver achter met het opnemen van migranten op de arbeidsmarkt. Veertien van de EU-lidstaten doen dat beter.

„Vooraf zagen we niet aankomen dat Nederland er op een aantal indicatoren zo positief zou uitspringen”, vertelt Paul Hofheinz, oprichter en onderzoeker bij The Lisbon Council in een telefonisch interview vanuit Brussel. „Maar op een aantal andere punten blijft Nederland achter.”

Het doel is niet om landen terecht te wijzen, zegt Hofheinz, een Amerikaanse historicus die nu al lange tijd in België woont. De ranglijst moet Europese overheden en bedrijven inzicht geven in de stappen die al zijn gezet in de overgang naar de netwerk- en kenniseconomie, en wat er nog moet gebeuren. „We willen mensen helpen zich aan te passen aan de toekomst.”

Wat gaat er goed in Nederland, en wat moet beter? Een overzicht aan de hand van de drie hoofdthema’s waarin The Lisbon Council de 16 indicatoren van de ranglijst heeft gegroepeerd en een nog ongepubliceerd landenrapport dat de denktank deelde met NRC.

1. In Nederland werkt (bijna) iedereen…

Een economie is niet toekomstbestendig als werken alleen iets is voor autochtone mannen tussen de grofweg 30 en 55 jaar. Die aanname volgde de denktank bij het samenstellen van de statistieken om te bepalen of een land een ‘moderne beroepsbevolking’ heeft. „Een economie is gezonder en veerkrachtiger als al het menselijk kapitaal van een land productief wordt ingezet. Het drukt op een samenleving als bepaalde groepen niet kunnen meedoen”, zegt Hofheinz.

The Lisbon Council heeft daarom gekeken naar de aanwezigheid op de werkvloer van vier groepen: vrouwen, jongeren, ouderen en immigranten. Niet gekeken is naar hoeveel uren ze werken. Dát ze meedoen, is wat telde.

Nederland scoort goed qua arbeidsparticipatie van vrouwen. Ruim 63 procent van de Nederlandse vrouwen werkt. Alleen in Zweden en Estland ligt dit hoger. Ook ouderen werken relatief vaak. Bijna 43 procent van de Nederlanders tussen de 55 en 74 jaar heeft betaald werk.

Lees ook: Over tien jaar is half Nederland niet meer geschikt voor zijn werk

Bovendien werken in geen ander EU-land zoveel jongeren. Ruim 70 procent van de Nederlanders tussen de 15 en 29 jaar heeft een baan(tje). In Griekenland en Italië is dat slechts 30 procent. „Jullie mogen daar echt blij mee zijn”, zegt Hofheinz. „Als jongeren werken scherpen ze hun vaardigheden aan, leren ze de nieuwste ontwikkelingen in hun vak. Dat mis je als je werkloos bent.”

…maar zijn er te weinig kansen voor immigranten

Nederland staat in de onderste helft van de EU-ranglijst qua arbeidsdeelname door eerste-generatie-immigranten. Van die groep van meer dan 660.000 immigranten in Nederland werkt 62 procent. In landen als Ierland en Groot-Brittannië is dat meer dan 70 procent. Hofheinz: „In die landen wonen net als in Nederland vrij veel nieuwkomers. Toch slagen beleidsmakers er beter in om deze mensen te integreren in de beroepsbevolking. Misschien kan Nederland daarvan leren.”

2. Nederland is digitaal en creatief…

Iedere dag, ieder uur, zelfs iedere minuut online? In Nederland is dat normaal: 94 procent van de Nederlanders tussen de 16 en 74 jaar weet hoe internet werkt en gebruikt het ook minstens één keer per week. In Italië en Portugal geldt dat voor maar net iets meer dan 70 procent van de bevolking.

Ook zijn Nederlanders goed in het oplossen van problemen in een ‘technologierijke omgeving’, zoals een kantoor waar met computers wordt gewerkt. We zijn daarmee derde van alle EU-landen, blijkt uit onderzoek van de OESO dat is meegewogen in Future of Work-ranglijst Juist het oplossen van complexe problemen blijft een taak voor mensen, terwijl routinematig werk wordt overgenomen door kunstmatige intelligentie, aldus The Lisbon Council.

Uit deze en vrijwel alle andere indicatoren die de denktank verzamelde, blijkt dat Nederland bij de kopgroep hoort in de overgang naar de netwerk- en kenniseconomie die de onderzoekers als toekomstbeeld zien.

Maar hoe heeft men bij The Lisbon Council dat toekomstplaatje eigenlijk bepaald? „Daar is geen kristallen bol aan te pas gekomen”, zegt onderzoeker Hofheinz. „Wij hebben gekeken naar ontwikkelingen die nu al gaande zijn, zoals snellere en goedkopere communicatie en de vergrijzing van de bevolking van Europa. De toekomst is er nu al.”

… maar bedrijven maken daar niet altijd gebruik van

Ook al hoort de Nederlandse beroepsbevolking bij de digitale koplopers, ons bedrijfsleven blijft een beetje achter met het aanwenden van deze kennis en vaardigheden. Nederlandse bedrijven komen binnen de EU op een zesde plek wat betreft het gebruik van digitale technologie, zoals internetverkoop en online factureren.

Kortom, een deel van ons digitaal potentieel wordt niet gebruikt. We blijven dan ook achter bij een land als Zweden, waar de vaardigheden van de bevolking effectiever worden ingezet. Meer bedrijven maken daar gebruik van digitale technologie, zoals bijvoorbeeld marketing via sociale media.

3. Nederland is flexibel…

Mensen houden van stabiliteit, stelt The Lisbon Council in het rapport. Maar hoe erg we ook opkijken tegen de chaos en ontwrichting die de snel veranderende wereld met zich meebrengt, verandering is het enige waar we zeker van zijn. Succesvolle landen zijn daar, net als succesvolle mensen, het beste op voorbereid.

Wat in Nederland goed gaat qua ‘veranderkracht’ is het hoge percentage mensen dat blijft doorleren na zijn of haar studie of opleiding. Zo blijft de bevolking geschoold in de nieuwste kennis en vaardigheden. Van de Nederlandse werkenden volgt ruim één op de vier een cursus of een opleiding naast zijn of haar baan. Dat is ruim boven het EU-gemiddelde van 14 procent. Ook het aantal werklozen dat leert is relatief hoog, ruim 28 procent – al kan het nog hoger als naar recordhouder Zweden wordt gekeken: daar volgt ruim de helft van de werklozen een cursus of opleiding.

Ook is het in Nederland relatief makkelijk om voor jezelf te beginnen, blijkt uit cijfers van de Wereldbank die voor de ranglijst zijn gebruikt. We staan daarmee op de vijfde plek in de EU. Dat geeft de mogelijkheid om na een tijd in loondienst (tijdelijk) als zelfstandige te gaan werken, als daar betere kansen liggen.

…maar de voordelen zijn oneerlijk verdeeld

Wie van carrière wil switchen, stuit in Nederland relatief vaak op de barrière dat het beoogde beroep beschermd is. Bijna een kwart van de huidige banen wordt gedaan door mensen met een beschermde titel, zoals apotheker, architect of accountant. In slechts vijf andere EU-landen is dat nog sterker het geval, met Duitsland als uitschieter.

Of dat goed of slecht is, daar valt over te twisten, erkent Hofheinz: „Het kan belangrijk zijn voor het beschermen van de kwaliteit. Maar dit soort standaarden kunnen ook gebruikt worden om een muur om een beroep te plaatsen en de gevestigde belangen te beschermen.”

Een veel grotere zorg over ongelijke privileges is het verschil tussen vaste en flexibele werknemers. In Nederland hebben zelfstandigen en tijdelijke werknemers een relatief slecht sociaal vangnet in vergelijking met vaste werknemers. Hofheinz: „Het maakt een land inflexibel als één groep werkenden alle voordelen heeft, en de anderen niet. Wil je mensen aanmoedigen om iets nieuws te proberen, om risico’s te nemen, dan moet je ze ook bescherming bieden voor het geval het misgaat.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.