‘Randomista’s’ Duflo, Banerjee en Kremer bestrijden armoede met wetenschappelijk bewijs

Nobelprijs De Nobelprijs voor Economie is toegekend aan drie mensen die met hun veldwerk de strijd tegen de mondiale armoede een flinke impuls hebben gegeven.

Goran Hansson (m), secretaris-generaal van de Koninklijke Zweedse Academie voor Wetenschappen, en de leden Peter Fredriksson (l) en Jakob Svensson maken in Stockholm de winnaars bekend van de Nobelprijs voor Economie 2019.
Goran Hansson (m), secretaris-generaal van de Koninklijke Zweedse Academie voor Wetenschappen, en de leden Peter Fredriksson (l) en Jakob Svensson maken in Stockholm de winnaars bekend van de Nobelprijs voor Economie 2019. Foto TT News Agency/Reuters

Een Nobelprijs voor Economie, voor véldonderzoek. Na jaren waarin hoogtheoretische economische disciplines werden gehonoreerd als gedragseconomie, speltheorie of dynamische macro-economie, is de prijs (officieel de Sveriges Riksbank Prize in memory of Alfred Nobel) deze maandag toegekend aan drie economen die van experimenten hun vak hebben gemaakt.

Esther Duflo, Abhijit Banerjee en Michael Kremer krijgen de prijs „voor hun experimentele aanpak om wereldwijde armoede te verminderen”. Duflo (Parijs, 1972) en Banerjee (Mumbai, 1961) zijn beiden hoogleraar aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Cambridge, de Amerikaan Kremer (1964) is hoogleraar aan de Harvard University in dezelfde stad. Volgens het keuzecomité heeft hun aanpak de ontwikkelingseconomie in twee decennia „volledig hervormd” en heeft het trio grote invloed gehad op beleid om extreme armoede wereldwijd te bestrijden.

Met de toekenning aan de drie veldonderzoekers neemt het comité duidelijk stelling. Economen kunnen elkaar tot in het graf met modellen blijven bestrijden over de theoretische effecten van hun denkwerk op de samenleving (en doen dat ook fanatiek), de echte test vindt plaats in de praktijk. Dat de prijs nu naar drie ontwikkelingseconomen gaat die er concreet aan hebben bijgedragen dat vele miljoenen mensen van armoede zijn verlost, is op zijn minst een signaal.

Armoedebestrijding is al decennia een politiek beladen onderwerp, waarin kampen tegenover elkaar staan. Grofweg heb je aanhangers van de hulptheorie, die menen dat ontwikkelingslanden actief moeten worden geholpen. Aan de andere kant staan aanhangers van de handelstheorie, die geloven dat hulp lui maakt en dat voorspoed vanzelf volgt als ontwikkelingslanden toegang krijgen tot de wereldmarkt.

Kremer, Duflo en Banerjee zetten zich de afgelopen twintig jaar in om deze uitersten te bestrijden. Hun centrale vraag is even simpel als doeltreffend: wat is de beste manier om armoede wereldwijd te verminderen? In plaats van modellen te ontwikkelen om die omvangrijke vraag te beantwoorden, brak het trio het probleem op in toetsbare deelvragen voor kleinere groepen of individuën. In hun boek Poor Economics (Arm & Kansrijk) schreven Banerjee en Duflo in 2011: „Armoede wordt vaak veroorzaakt door een samenstel van concrete problemen. Als die problemen duidelijk onderkend worden, kunnen ze vaak een voor een worden opgelost.”

In 2011 schreef NRC al over het werk van Duflo en Banerjee. Lees ook over een nieuwe school van ontwikkelingseconomen die pleiten voor een pragmatische benadering bij armoedebestrijding

Onethisch

Kremer legde halverwege jaren negentig in Kenia de basis voor zijn manier van veldonderzoek toen hij daar problemen in het onderwijs bekeek. Hij paste daarbij gerandomiseerde onderzoekstechnieken toe die in natuurwetenschappen en medicijnenstudies al lang zeer gangbaar waren, maar in de ontwikkelingseconomie een stuk minder, onder meer omdat ze onethisch zouden zijn. Wie louter om onderzoeksredenen de ene groep armen wél hulp geeft en de andere niet, heeft wat uit te leggen. Kremer bood in Kenia soortgelijke scholen met problematische leerresultaten verschillende oplossingen aan. Daardoor kreeg hij zicht op wat wel werkte en wat niet.

Banerjee en Duflo deden soortgelijk onderzoek in India. Dit verbreedde zich naar terreinen als gezondheidszorg, toegang tot kredieten en adaptatie van nieuwe technologie. Steeds stond experimenteel en gerandomiseerd veldonderzoek aan de basis van hun bevindingen. In 2003 richtten ze het Abdul Latif Jameel Poverty Action Lab op, gericht op vermindering van armoede door beleid dat stoelt op wetenschappelijk bewijs.

In de ontwikkelingseconomie is dankzij het werk van randomista’s Duflo, Banerjee en Kremer veldonderzoek tot een van de belangrijkste methodes geworden bij het bepalen van succes of falen van armoedebestrijding. „Het kennen van de juiste kwantitatieve antwoorden op specifieke vragen is van vitaal belang voor het verbeteren van menselijk kapitaal, het verhogen van het inkomen en het verbeteren van de gezondheid van de armen. Het beantwoorden van deze vragen vereist een empirische benadering waarmee onderzoekers duidelijke conclusies kunnen trekken over causale effecten”, vermeldt een 41 pagina’s tellend achtergronddocument over het werk van de laureaten dat het Nobelcomité online zette. Door resultaten van het onderzoek te extrapoleren, zijn de kleine veldexperimenten bruikbaar voor beleidsmakers en non-gouvernementele organisaties.

Karikaturen

De meeste aandacht ging maandag bij de toekenning van de prijs uit naar de Française Duflo. Zij is de tweede vrouw ooit die de Nobelprijs voor Economie in ontvangst mag nemen, na de Amerikaanse econoom Elinor Ostrom in 2009. Met haar 46 jaar is Duflo tegelijk de jongste econoom ooit die de prijs won. „Ik dacht dat je ouder moest zijn om de prijs te winnen”, grapte Duflo, die de toekenning telefonisch vernam. Overigens is Duflo niet alleen wetenschappelijk partner van Banerjee, maar ook zijn levenspartner. Hij begeleidde haar promotie in 1999, en sinds 2012 heeft zij een zoon met hem. Ze trouwden in 2015.

„Ons doel is ervoor te zorgen dat de strijd tegen armoede gebaseerd is op wetenschappelijk bewijs”, vertelde Duflo. „Vaak worden de armen gereduceerd tot karikaturen, en zelfs degenen die hen proberen te helpen, snappen vaak niet wat in essentie de armoede veroorzaakt. Wij proberen problemen zo wetenschappelijk mogelijk aan te pakken.”

Gevraagd naar wat zij met het prijzengeld gaat doen (9 miljoen Zweedse kroon, ofwel 830.000 euro), verwees Duflo naar de woorden van de eerste vrouwelijke Nobelprijswinnaar ooit, Marie Curie, die haar prijs zei te gaan besteden aan „een gram radium”, de stof die voor haar onderzoek naar radioactiviteit van belang was. Duflo zei in overleg met haar twee medelaureaten op zoek te gaan naar „wat onze gram radium precies is”.