Recensie

Recensie Theater

Uit het absurdisme van Beckett ontsnappen is onmogelijk

‘Eindspel’ Becketts ‘Eindspel’ bij Theater Rotterdam is een verrassend lichte voorstelling. Tegenover het fysieke acteerwerk van René van ‘t Hof staat het prachtig ingeleefde spel van Hans Croiset.

René van ’t Hof en Hans Croiset in ‘Eindspel’ bij Theater Rotterdam.
René van ’t Hof en Hans Croiset in ‘Eindspel’ bij Theater Rotterdam. Foto Sanne Peper

Dat is weer eens wat anders: een Beckett-uitvoering die begint met onvervalste slapstick. Laat dat maar aan René van ’t Hof over. Geef hem een ladder, twee vensters en vooral de tijd om zo’n scène zo lang mogelijk te rekken. De komische opening typeert deze enscenering van Samuel Becketts Eindspel (1957). Regisseur Erik Whien houdt de voorstelling verrassend licht. Hij focust op de lach en juist daardoor ervaar je de beklemmende tragiek die zich in de personages nestelt.

Tegenover het fysieke acteerwerk van Van ’t Hof staat het prachtig ingeleefde spel van Hans Croiset. Een ijzersterke zet: met zijn doorwrochte tekstbehandeling houdt Croiset de voorstelling in de realiteit, terwijl Van ’t Hof met zijn slapstickachtige, vormelijke insteek ons daar juist van vervreemdt. Beckett hield van dat spel: het versnipperen van flarden realiteit om de absurditeit van het leven te tonen.

Wat gebeurt er nu eigenlijk op toneel? Veel, en tegelijkertijd niets. De dominante Hamm (Croiset), blind en kreupel, zit vrijwel de gehele voorstelling op een stoel, terwijl zijn volgzame bediende Clov (Van ’t Hof) voortdurend voor hem in beweging is. Op het voortoneel staan twee grote containers waarin Hamms verwekkers (Cas Enklaar en Elsje de Wijn) zijn weggestopt: ouders gereduceerd tot behoeftige, venijnige kinderen waar je niet vanaf komt. Zoals Hamm zich tevergeefs van zijn ouders probeert los te weken, probeert Clov wanhopig zijn meester te verlaten. Maar het is niet makkelijk om je los te snijden van dat wat je leven domineert.

Lees ook dit interview met regisseur Erik Whien: ‘Beckett relativeert de zinloosheid van het bestaan’

Hamm en Clov zijn beiden genadeloos vastgelopen in hun uitgedoofde bestaan. „De natuur is ons vergeten,” constateert Hamm, waarop Clov riposteert: „Er is geen natuur meer.” De nabestaanden van Beckett zien er streng op toe dat er niets aan zijn teksten wordt veranderd. Beckett was bovendien nauwgezet met zijn beschrijvingen van de handelingen, hij noteerde zelfs in hoeveel stappen Clov zich van het linker- naar het rechterraam moet verplaatsen.

Die handelingen zijn bij Beckett hetzelfde als zijn taal: hij creëert een zeer specifieke, vervreemdende herhaling waardoor de tijd anders lijkt te functioneren. Vaak gebeurt er niets, ‘iets gaat zijn gang’, geen dag verschilt van een andere. Geruststellend enerzijds, maar ook verontrustend: uit Becketts absurdistische construct is geen ontsnappen mogelijk.

Al lijkt Clov, op de valreep van de voorstelling, ineens een uitweg te hebben gevonden. Maar dan is het al te laat, het doek heeft zich al gesloten. En in het besef dat Clov elke dag opnieuw, een seconde te laat, een manier vindt om te ontsnappen, zit het ware absurdisme.