Recensie

Recensie Muziek

Daniël Lohues in fascinerend gesprek met Bach

Concert Holland Baroque trapt niet in de valkuil van de verklassiekte pop, maar laat de muzikale taal van Bach vervloeien met die van Daniël Lohues.

Daniel Lohues en Holland Baroque in Enschede.
Daniel Lohues en Holland Baroque in Enschede. Foto Wouter Jansen

Zo’n vijf jaar geleden bezochten de zussen Steenbrink, oprichters van Holland Baroque, een optreden van de Drentse troubadour Daniël Lohues. „Zeg”, vroeg klaveciniste Tineke hem na afloop, „heb jij je voor een van die nummers laten inspireren door Das Wohltemperierte Klavier van Bach?” Neuh, hij dacht van niet. Maar het was geen rare vraag. Want alle popmuzikanten zijn schatplichtig aan Bach, beweerde Sting ooit, ook al hebben de meesten het vaak niet eens in de gaten.

Het gesprek met Tineke en Judith Steenbrink trof Lohues als een déjà vu, want voordat hij de gitaar ontdekte, vormde Bach de muzikale vader, zoon en heilige geest van zijn kinderjaren. Het dierbaarste relikwie van die aanbidding was een langspeelplaat van diens orgelwerken. Toen op een dag een klasgenoot bij hem thuis kwam spelen, wilde de jonge Daniël zijn liefde daarvoor dan ook meteen delen. Het werd een ontnuchterende ervaring. „Wat is dit voor Dracula-muziek?” reageerde het vriendje.

Niettemin beluistert Lohues die Prelude van Bach nog wekelijks. En het kon ook niet anders dan dat zijn concert met Holland Baroque daarmee opende in een bewerking voor strijkers, houtblazers, luit, klavecimbel, en Lohues achter het zacht blazende kistorgel. Tien van zijn eigen liedjes, waaronder een paar nieuwe, werden geflankeerd door zeven werken van barokgrootheden Bach, Telemann en Händel.

Veel symfonische jassen zitten de popmuziek te ruim, maar hier leveren de zussen Steenbrink maatwerk. Met in hun achterhoofd vermoedelijk de drie eeuwen oude affectenleer – die muzikale gereedschappen rechtstreeks met gevoelens verbindt – leggen ze in deze songs op een organische manier de onderhuidse muzikale spanning bloot. De orkestbewerkingen blijken geenszins simpele uitvergrotingen, maar gaan de dialoog aan met de noten en de woorden van Lohues.

Zoals de onrustige en kwellende violen en de melancholieke zang van de hobo in ‘Over joe’, over een verlaten man die zijn geliefde maar niet kan vergeten, het opgeruimd tokkelen van de strijkers wanneer de lente in Half april doorbreekt, de ritmische danslijnen van het klavecimbel – alles viel op zijn plek, en iedere vertolking klonk als een origineel. „’k zol haost zeggen, jao het mag wel zo”, zong Lohues tenslotte in de Skik-hit ‘Op fietse’, waarin zijn muziek naadloos aansloot op die van Händel.

De Spaanse dirigent Jordi Savall betoogde enkele jaren terug dat muziek alleen voortgang kent, geen vooruitgang. Composities van nu zijn beter noch slechter dan die van vroeger: ze klinken simpelweg anders. De bewerkingen van Holland Baroque laten horen dat er een tijdloze ruimte bestaat, waar rasmuzikanten zoals Lohues in ‘gesprek’ kunnen gaan met Bach of Händel, die al tweeënhalve eeuw dood zijn. Het is, zeggen de Drenten, „’t zölfde gaoren op een aander klossie”. En de musici weven er in dit geval een mooi kleed van.