Opinie

Internet-SS

Tommy Wieringa

In de voormalige DDR heeft het merendeel van de mensen geen vertrouwen in de democratie. De teleurstelling over de Duitse eenwording is een rijke bron voor extreemrechts ressentiment. Naar schatting zijn er in Duitsland twaalfduizend rechtsextremisten bereid tot geweld. In Halle verklaarde Stephan B. zich deze week een erfgenaam van de nazi’s toen hij zich deel noemde van de ‘internet-SS’.

De Oostduitse desillusie brengt het gevaarlijkste soort nostalgie met zich mee dat er bestaat. Uit de teleurstelling over het heden groeit een terugverlangen naar de moorddadige regimes van de vorige eeuw, die zich bekwaamden in vernietiging door arbeid, de kogel of het vuur. Dwangsystemen met duidelijke voorschriften over wie tot de menselijke familie gerekend mocht worden en wie niet. Voor wie erbuiten viel, volgde uitsluiting en dood. Dat is anno 2019 het visioen van Stephan B., een bleke jongeman die nog bij zijn moeder woont, zo ziet zijn ideale maatschappijinrichting eruit.

In Duitsland, waar ik deze week op Lesereise ben, wordt veel verwezen naar de Alternative für Deutschland, aan wie de intellectuele eigendom van de aanslag wordt toegeschreven. „De aanslag op de synagoge is een eindpunt van het geweld”, zegt publicist en oud-politicus Michel Friedman in de Frankfurter Allgemeine Zeitung, „maar we vergeten licht dat er voor elk eindpunt veel beginpunten aan te wijzen zijn.” Bij de AfD om te beginnen, waar men de Duitse geschiedenis met revisionistische pen herschrijft: de nazitijd is maar een vogelpoepje op de Duitse geschiedenis, de Wehrmacht moet opnieuw bewonderd kunnen worden en het Holocaustmonument in het hart van Berlijn is een monument van schande. De AfD is al lang geen marginaal verschijnsel meer, bij de deelstaatverkiezingen van vorige maand in Saksen en Brandenburg werd ze de tweede partij. Haar racistische motieven zijn courant, haar extremisme is gemeengoed. Geweld is het natuurlijke slotstuk van het rechts-nationalistische discours, de conclusie van een perverse redenering. In de VS bagatelliseerde de president racistisch geweld van extreem-rechts en dreigde met een burgeroorlog als hij wordt afgezet, in Halle ging een man op mensenjacht bij een synagoge en een dönertent.

Op de dag van de aanslag eet ik na de lezing in Münster met een gezelschap in restaurant Stuhlmacher. Op zwart-witfoto’s aan de muur liggen het restaurant en het naastgelegen Rathaus volledig in puin. Op een foto uit voorjaar 1947 is dat nog altijd het geval, een jaar later is met de wederopbouw begonnen en rijst achter de puinhopen de nieuwe façade van Gasthaus Stuhlmacher op.

In De natuurlijke historie van de verwoesting vraagt W.G. Sebald zich af hoe het kan dat de massale vernietiging van de Duitse steden geen rol speelt in de collectieve herinnering en nauwelijks voorkomt in de naoorlogse Duitse literatuur. Ook verbaast hij zich over de verbijsterende energie waarmee de Duitsers hun steden herbouwden na de totale verwoesting door geallieerde tapijtbombardementen. Gedurende vierhonderdduizend vluchten werd een miljoen ton bommen afgeworpen boven Duitsland, waardoor zeshonderdduizend burgers omkwamen, drieënhalf miljoen huizen werden verwoest en aan het eind van de oorlog zevenenhalf miljoen mensen dakloos rondzwierven. „Het vele werk dat moest worden verzet”, schrijft Sebald, „en het streven om een nieuwe, gezichtloze werkelijkheid te scheppen, belemmerden van meet af aan elke herinnering, richtten de bevolking uitsluitend op de toekomst en verplichtten haar tot zwijgen over wat haar was overkomen.” Hij citeert Hans Magnus Enzenberger, die opmerkt dat je „de raadselachtige energie van de Duitsers niet kunt begrijpen als je je verzet tegen het inzicht dat ze hun tekorten tot een deugd hebben verheven”. Met als scherpzinnige conclusie: „De bewusteloosheid was de conditie voor hun succes.”

Nu de verdoving is uitgewerkt en niet iedereen meer deel heeft aan het succes, maakt het grote vergeten plaats voor de valse herinneringen van de nostalgie, en komen de lijken boven die volgens Sebald in het fundament van het Duitse staatswezen zijn ingemetseld.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.