'Ik geloof niet dat de Tunesiërs de democratie verworpen hebben'

Deze zondag kiezen Tunesiërs hun nieuwe president. De opkomst loopt terug bij verkiezingen in het Noord-Afrikaanse land, maar de pas acht jaar oude democratie lééft, ziet socioloog Intissar Kherigi.

Socioloog Intissar Kherigi.
Socioloog Intissar Kherigi. Foto Floris van Straaten

De pas acht jaar oude Tunesische democratie, toch al een zeldzaam fenomeen in de Arabische wereld, begint deze week aan een radicaal nieuw hoofdstuk. Tot tweemaal toe verkochten de kiezers de zittende machthebbers de voorbije weken een ongenadige draai om de oren. Zowel bij de presidentsverkiezingen als bij de parlementsverkiezingen leden kandidaten van de gevestigde partijen zware verliezen en werden populistisch getinte nieuwkomers de grote winnaars.

„Onze politieke ontwikkeling is vergeleken met die in Westerse landen razendsnel gegaan, van wittebroodsweken tot onvrede over de gevestigde partijen en opkomend populisme in acht jaar tijd”, lacht Intissar Kherigi (34), een vooraanstaand denker over de Tunesische democratie die onlangs in Amsterdam was.

Deze zondag maken de Tunesiërs in de tweede ronde van de presidentsverkiezingen uit wie hun president wordt. Nu al staat vast dat ook dat een populistische nieuwkomer zonder veel politieke ervaring zal zijn: de deze week uit de gevangenis vrijgelaten en van belastingfraude verdachte televisiemagnaat Nabil Karoui, vaak de Tunesische Berlusconi genoemd, of de partijloze rechtsgeleerde Kais Saied.

Lees meer over de presidentsverkiezingen: Nieuwe vuurproef voor de democratie in Tunesië

De meeste kiezers bleven overigens thuis. De opkomst bij de eerste ronde van de presidentsverkiezingen bedroeg maar 45 procent, vergeleken met 64 procent in 2014. Bij het parlement was dat cijfer nog lager, 41 procent (69 procent in 2014). „Als je niet in democratie gelooft, ga je ook niet stemmen”, zegt Kherigi. Ze was vorige maand in Amsterdam als spreker op een bijeenkomst van het Nexus Instituut over Verlichting versus anti-Verlichting. „We moeten het probleem oplossen van de mensen die zich niet bij het systeem voelen betrokken. Anders kom je niet ver met je democratie.”

Daarom zette Kherigi al in 2013 de Jasmine Foundation op, een denktank annex hulporganisatie. „We willen vooral mensen bereiken die zeggen niet in democratie te geloven, met name werkloze jongeren in arme buurten”, vertelt ze. Ze probeert op lokaal niveau mensen direct te laten meepraten over oplossingen voor lokale problemen. „We proberen afgestudeerden praktische vaardigheden mee te geven. Die krijgen ze tijdens hun studie meestal niet. Die is niet erg oplossingsgericht. Om de openbare weg in arme buurten veiliger te maken, moet er bij voorbeeld betere straatverlichting komen of een park worden gerenoveerd, er moeten banken worden getimmerd. We geven de bewoners een budget om daar wat aan te doen. Zo hopen we dat ze meer het gevoel krijgen dat ze bij de samenleving horen.”

Maar is die lage opkomst niet zorgwekkend?

„Ik geloof niet dat de Tunesiërs de democratie verworpen hebben. Er was een enorme belangstelling voor de op tv uitgezonden debatten met liefst 26 kandidaten voor de presidentsverkiezingen. Veel mensen bekeken die samen in het café.”

Democratie is volgens haar ook een welkome uitlaatklep, zonder direct oplossingen te bieden. Ze geeft het voorbeeld van zware regen- en hagelbuien vorige week. Die leidden tot overstromingen, waardoor zich urenlange files op de weg vormden. Daarop braken er protestbetogingen uit tegen de overheid, die de waterhuishouding niet op orde had. Kherigi: „Onder de vroegere sterke man Ben Ali zouden zulke spontane betogingen nooit zijn ontstaan. Niemand durfde dat toen.”

Lees ook: Tunesië woelt in zijn folteringverleden (2017)

Danken die populisten hun opkomst aan de economische problemen?

„Mensen zijn meer in een baan geïnteresseerd dan in de constitutie en het democratisch bestel, dat is begrijpelijk. De werkloosheid is hoog, vooral onder afgestudeerden. Zo’n 30 procent, tegen 15 procent voor het land als geheel. Maar het is ook een politiek probleem. We moeten onze rechtspraak hervormen en de corruptie uitbannen. Ons bedrijfsleven is ook niet gezond. Het leunt te veel op de staat. Orders en banen hangen vaak af van oude privileges en familiebanden. Dat soort praktijken namen vooral onder Ben Ali toe. Diens familie eigende zich delen van de publieke sector toe. Corruptie en nepotisme zijn er nog steeds, de belanghebbenden laten zich hun privileges niet als makke schapen afnemen. Het is een strijd tussen haves en have-nots, waarbij de staat nu minder sterk is dan onder Ben Ali.”

Waarom vormen juist die afgestudeerde jongeren zo'n probleem?

„In Tunesië krijgen we altijd ingeprent dat je door onderwijs meer van het leven kunt verwachten. Wanneer dat systeem door massale werkloosheid in elkaar zakt creëert dat frustraties. Het is ook een feit dat ons onderwijssysteem minder goed is geworden. De combinatie van vrijheid, onvrede en jeugd die digitaal met elkaar is verbonden herbergt zeker gevaren in zich.”

Zoals het feit dat zo’n 4.000 Tunesische jongeren zich aansloten bij IS in Irak en Syrië, meer dan uit bijna elk ander Arabisch land?

„Ja, dat is een pijnlijke zaak die al tot veel gewetensonderzoek heeft geleid. Je kunt niet zeggen dat het alleen om arme jongeren ging. Uit onderzoek is gebleken dat velen van hen wel werk hadden maar dat het banen waren onder hun niveau. Vooral na de revolutie van 2011 verwachtten ze juist meer van het leven. Toen dat niet snel gebeurde, vormde dit een voedingsbodem voor radicalisme.”