Opinie

Hoe het ene gesprek over racisme de krant haalde, maar het andere niet

De ombudsman

Dus tóch een interview in NRC met de Britse journalist Reni Eddo-Lodge, auteur van het spraakmakende Waarom ik niet meer met witte mensen over racisme praat. Een mooi gesprek door Dominique van Varsseveld. Ook opmerkelijk omdat de schrijfster een maand eerder twitterde dat ze interviews met Nederlandse journalisten had afgezegd.

Reden was een „ondraaglijk” onderhoud met een verslaggever van de Volkskrant. Een interview met Knack ging toen niet door. Steen des aanstoots: de man stelde te weinig vragen over haar werk, maar wel over „steekpartijen en afwezige zwarte vaders”.

Tegen Van Varsseveld zegt de schrijfster dat ze erop gokt dat de man „heel arrogant” het boek niet had gelezen en maar bleef vragen wat ze vond van identiteitspolitiek. Ze kwam ervan „in een gekke gemoedstoestand”.

Online was de conclusie toen al snel getrokken. Hier was een „onwetende journalist” aan de bak geweest, die „irrelevante” en „racistische” vragen had gesteld. Althans, dat schreef NRC-redacteur Sabrine Ingabire in een essay over witte journalisten en zwarte schrijvers voor de site Dipsaus. Het tekent volgens haar de hoogmoed van „in wezen racistische” kranten dat witte journalisten denken iedereen maar te kunnen interviewen. Terwijl, naar zij gelooft, zwarte mensen meestal beter in staat zijn zwarte mensen te interviewen, „over wat dan ook”, dan witte collega’s die zich niet in hen kunnen „verplaatsen”.

Ook dát opiniestuk – Ingabire werkt vier dagen bij NRC, één dag als freelance columnist – deed stof opwaaien, op de NRC-redactie en daarbuiten. Hier en daar klonk verhit protest van columnisten die het stuk lazen als een smeekbede om segregatie of die hun kans schoon zagen anti-racisten de les te lezen. En ja, die kans bood haar radicale stuk.

Maar wat mij verbaasde, hoewel ergens ook weer niet, was dat de aanleiding voor alle opwinding een vraaggesprek was waar niemand anders bij was geweest en waar ook niemand nog een letter van had kunnen lezen: het is niet verschenen. Geen punt, want culturele oorlog voeren gaat ook heel goed op basis van tweets, dit keer van een beledigde geïnterviewde – haar ervaring telt.

En die van de interviewer?

Ik klopte aan bij de ‘boosdoener’, Volkskrant-correspondent te Londen Patrick van IJzendoorn. Nee, hij kende Eddo-Lodge nog niet, zegt hij, maar had haar boek voor het interview uiteraard gelezen. Door de commotie raakte zijn stuk tussen de wielen, nu wil hij niet meer dat het wordt gepubliceerd. Maar hij stuurde me het artikel „ter oriëntatie”.

Wat blijkt. Het is een schurende maar ook openhartige en eerlijke gedachtewisseling, die gaandeweg stekeliger wordt. Van IJzendoorn brengt in het stuk ook zichzelf in het spel – de ervaringen van zijn eigen multi-etnische familie – en legde Eddo-Lodge zijn twijfels voor of hij zich als witte man wel kan indenken hoe het is om als zwarte vrouw in Groot-Brittannië te leven.

Het loopt uit de hand omdat hij in een vlaag van Brits patriottisme oppert dat er toch ook vooruitgang is en omdat hij begint over identiteitspolitiek, jeugdbendes in Londen en de rol van afwezige zwarte vaders. Dat is een racistische constructie, antwoordt de auteur geïrriteerd – waarna Van IJzendoorn nog gedienstig vraagt wat hij als witte man kan doen om bij te dragen aan een oplossing.

Ja, zegt hij nu, die laatste vragen waren misschien lomp of onhandig, maar in zijn ogen relevant en actueel (de jeugdbendes waren aangekaart door de controversiële oud-voorzitter Trevor Philips van de Britse Commissie voor Raciale Gelijkheid). Inmiddels blijft hij liever bij het onderwerp weg.

Goed, ik was ook niet bij het gesprek. Maar Van IJzendoorn heeft recht op weerwoord en zijn artikel is misschien minder boekvast dan het NRC-vraaggesprek, maar allesbehalve schandalig. Ik had het graag in druk gelezen.

En NRC? Op de krant is het Dipsaus-essay besproken, ook met de hoofdredactie. Standpunt van de laatste: de inhoud ervan komt voor rekening van de auteur en is niet de mening van de krant. NRC wil geen activistische krant zijn. Dat staat journalistiek engagement niet in de weg; de krant engageert zich met de publieke zaak – daar hoort verdediging van grondrechten en dus ook kritiek op racisme en uitsluiting bij.

Maar journalistiek engagement is nog iets anders dan activisme, waarin de zaken vaak lang en breed kraakhelder zijn en feiten al snel hulpstukken worden bij een onwrikbare overtuiging.

Dat de redactie journalistiek baat heeft bij diversiteit staat intussen wel vast. Niet omdat het een goed doel is, maar omdat diversiteit de breedte en diepte van de berichtgeving ten goede komt (wat de pleitbezorgers ervan ook willen). Dat is niet alleen een kwestie van kleur, maar ook van klasse, opleiding en van politieke overtuiging.

Nog even naar dat gesprek bij de buren. Interessant is de reactie van Eddo-Lodge op Van IJzendoorns twijfel of hij zich in haar kan inleven. Een onzinnige vraag, vindt ze. Je hoeft toch ook geen vrouw te zijn om seksisme te herkennen? Het gaat niet om inleving, maar om het leren zien van de ideologie van de macht.

Dat antwoord is raak en strookt met haar boek. Maar het staat tegelijk haaks op de nadruk die Ingabire in haar essay legt op de wenselijkheid om je vooral in een geïnterviewde te verplaatsen.

Dat een interviewer kennis van zaken moet hebben en affiniteit met het onderwerp, spreekt vanzelf en betaalt zich uit, ook in het interview van Van Varsseveld. Aan de andere kant, je kunt moeilijk een polemisch boek schrijven en dan geen polemiek willen.

Een interview is geen audiëntie, het is ook altijd een – wederzijdse – confrontatie.

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.