Opinie

Een oneerlijk proces, het blijkt gewoon te kunnen

De Rechtsstaat

Niets zo instructief als een strafzaak die voor je ogen in de soep loopt. Deze zomer stond ik na een strafzaak voor de rechtbank Den Haag verbluft tegen het felle licht te knipperen. Wat maakte ik mee? Een defecte en daardoor oneerlijke strafzitting, vrees ik. Een unfair proces. Met als inzet: twee jaar celstraf, deels voorwaardelijk.

Het begon met mr. A., de advocaat van verdachte F. Blijkens zijn website een éénmanskantoor dat hulp op vier rechtsgebieden aanbiedt. Strafrecht, arbeidsrecht, ondernemingsrecht en letselschade. En voor wie niet kan kiezen: Heeft u ondersteuning nodig? Klik hier. Gelijktijdig deskundig zijn op meer dan één rechtsgebied als individuele advocaat (of rechter) is echter al geruime tijd niet meer echt mogelijk. Daarvoor zijn er te veel wetten en regels, die almaar veranderen, zich vermenigvuldigen en door rechters en bestuurders worden bijgesteld en verfijnd.

De landelijke Orde van Advocaten probeert van deze generalisten af te komen, met een rechtsgebiedenregister gekoppeld aan opleidingseisen en een publicatieplicht. ‘Mr. X., advocaat’ met kantoor aan huis en antwoord op al uw vragen – ga er niet heen.

In het laatste rapport over de crisis in de rechtsbijstand, Andere Tijden, stond dat „het verbieden van eenmanskantoren niet zou passen”, maar dat er wel moet worden nagedacht over manieren om ze in ieder geval te weren uit de sociale rechtshulp. Reden: te weinig kennis.

Mr. A. werd in de eerste minuten van de zitting dus ontslagen door een zeer boze verdachte. De advocaat kreeg een aantal zware verwijten te horen, waar hij zich niet tegen verweerde. Het verslag stond in NRC. De advocaat zou in de elf maanden van het voorarrest ‘helemaal niets’ hebben gedaan. De verdachte voelde zich ‘totaal onvoorbereid’. Nu kende hij de gevangenis van binnen; dit was niet z’n eerste advocaat. Met deze man wilde hij dus niets meer te maken hebben. Weg ermee. De behandeling van zijn zaak kon wat hem betrof prima doorgaan. De verdachte wilde duidelijkheid. Eindelijk weten wat de officier zou gaan eisen en wat de rechtbank zou opleggen. Dan kon hij daarna tenminste in hoger beroep. Hij zat nu al zo lang in voorarrest dat de straf nooit heel veel langer kon zijn dan de eis. Liever een vonnis binnen twee weken dan nog eens maanden wachten op een volgende zitting, met een nieuwe advocaat.

En in die redenering ging de rechtbank dus mee. Ik geef toe, van de wet mag het. Maar er zat dus wel een verdachte die de stukken niet kende en het bewijs niet had kunnen beoordelen. Iemand die, tijdens de schorsing, hardop zei: „Ik weet niet hoe ik me hier zou moeten verdedigen”.

Dat kon hij dan ook niet, althans niet écht, zag ik. Hij begreep een deel van de tenlastelegging niet echt. En wat hij met de ter zitting gewijzigde schriftelijke tenlastelegging aan moest, was hem ook niet duidelijk. Hij vouwde het formulier klein op en stopte het in z’n trui.

De verdachte was een laag opgeleide man van 35 die straattaal sprak. Daar stond het vloeiende juridisch jargon van de officier tegenover. Mooie dictie ook. En volstrekt ontoegankelijk voor niet-juristen. Het Nederlands van de voorzitter van de strafkamer was eenvoudiger. Haar beide collega’s deden vooral uit de hoogte. „Waarom lacht u, is dit grappig, ziet u de ernst wel in?”

Een strafproces met een ongeschoolde verdachte die denkt dat-ie het zelf ook wel kan, demonstreerde dus live waarom dat onverantwoord is. De voorzitter vergat om de verdachte formeel de spreektijd van diens afwezige advocaat aan te bieden. De rechtbank kreeg dus geen kritische bespreking van het bewijs, werd niet gewezen op gebreken in het onderzoek of de tenlastelegging, kreeg de levensloop van de verdachte niet toegelicht noch een reflectie op het reclasseringsrapport. Evenmin een weging van de strafeis noch een eventueel voorstel voor een alternatieve aanpak. En ook niks wat daar in de verste verte op leek, uit de mond van de verdachte zelf. Het was allemaal in de tas van mr. A, de juridische multispecialist, blijven zitten – als het daar al in zat – en die was ermee naar huis.

De verdachte kreeg wel het gebruikelijke ‘laatste woord’, maar vond dat ‘alles wel gezegd was’. Dat vond ik niet. En nog steeds niet. De ‘ernst van het strafproces’, inderdaad. Deze rechters waren het toch even kwijt.

Folkert Jensma is juridisch commentator. Twitter: @folkertjensma

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.