De supermarkt zat op zich op een geschikte locatie: middenin het dorp, niet ver van de eeuwenoude Ludgeruskerk, tegenover de gortpelmolen.

Foto Kees van de Veen

Interview

Zonder super leeft Oldehove niet meer

De laatste winkel Een supermarkt in een vergrijzend dorp met 1.500 inwoners, dat kan nauwelijks uit. Klandizie komt van ouderen, autolozen en mensen die ‘nog iets’ zijn vergeten. Eric en Christien Brands hielden in Oldehove negen jaar stand. Deze zomer sloot hun Attent-winkel.

Eén voor één stapelt ze de boodschappen op de winkelband. Kookroom en spekjes, yoghurt en prei – boodschappen zoals op elke andere zaterdag eigenlijk. Met één verschil: dit zijn de laatste aankopen. Dit is de laatste zaterdag. Na vandaag sluit de kleine dorpssupermarkt waar mevrouw De Ruiter, een beweeglijke vrouw van in de zeventig, al bijna tien jaar elke week haar boodschappen doet.

Ze knikt in de richting van haar boodschappen en haalt haar schouders op. „Ik heb echt mijn best gedaan, Eric. Maar ik ga geen dingen kopen die ik niet nodig heb.” Ze had de winkelier graag van zijn laatste voorraad afgeholpen. Een extra brood kon nog wel, want dat kun je invriezen. En vuilniszakken bederven niet. „Maar de rest hoef ik niet.”

Eric Brands, aan de andere kant van de kassa, perst er een glimlach uit. Zijn hand duikt in een van de plastic emmers naast hem. Ze zijn gevuld met roze en witte rozen, allemaal voorzien van een briefje. Samen met zijn personeel heeft de winkeleigenaar ze de avond ervoor zelf geschreven, om alle klanten te bedanken voor hun trouwe bezoek.

„Wilt u de laatste bon nog mee”, vraagt caissière Esther, die naast Brands staat. „Het wordt een collector’s item, hoor.” Mevrouw De Ruiter glimlacht. „Nee, bedankt.”

Buiten, bij het inpakken van haar fietstassen, vertelt ze hoe jammer ze het vindt dat Brands stopt. Dat een supermarkt belangrijk is voor een plaats als Oldehove, een klein dorp in het noordwesten van Groningen, met ongeveer 1.500 inwoners. Om boodschappen te doen, maar ook als trefpunt. Je blijft er op de hoogte van wat er in het dorp speelt.

Het is een dag die al maanden geleden is aangekondigd. In september vorig jaar maakte Brands bekend dat hij ging sluiten. Het dorp verliest daarmee zijn laatste winkel. Natuurlijk, er is nog een kapper. En een gepensioneerde winkelier die op aanvraag nog kwasten en verf verkoopt. Maar een echte winkel? Nee.

Een klein jaar lang bezocht NRC Oldehove met enige regelmaat, om te zien wat er met een dorp gebeurt als de laatste winkel verdwijnt. Verandert er iets? En is dat erg? Hoe reageren inwoners? Ondergaan ze gelaten een lot dat in hun ogen onvermijdelijk is? Of grijpen ze in?

 

Hoofdstuk 1

De winkel

Hij kan springen wat hij wil, de vloer blijft toch wel heel. Allert Riepma (73) staat middenin zijn woonkamer en tikt met zijn schoen op de plavuizen. Ooit zat hieronder de bakkerij van de familie Knot, zegt hij. Zijn woning was in die tijd de opslagzolder, waar de loodzware zakken meel lagen opgestapeld. Vandaar dat de muren en vloeren veel dikker en steviger zijn dan gewoonlijk.

Nadat Knot was vertrokken, werd de benedenverdieping omgebouwd tot supermarkt, weet Riepma. Verschillende ondernemers hebben er sindsdien hun winkel gehad, ook hij en zijn vrouw Anki. Het is een geschikte locatie voor een supermarkt: middenin het dorp, niet ver van de eeuwenoude Ludgeruskerk, tegenover de gortpelmolen.

Het echtpaar Riepma nam de winkel over in 1992 en kocht toen ook het pand, met het oog op hun naderende pensioen. Allert Riepma, een lange, forse man met grijzend haar en een bril, werkte zijn hele leven in de levensmiddelen. Hij begon op 15-jarige leeftijd als winkelknecht, bij een kruidenier in Uithuizen. Later ging hij zelf winkels leiden, onder meer in Zandeweer en Appingedam.

Riepma is een man die zijn vak verstaat, nog steeds. Zo zag hij laatst ergens personeel kauwgom kauwen en kletsen achter de kassa. Zo’n slecht signaal naar de klant, vindt hij. „Die denkt dan ook meteen: hier komt blijkbaar niemand.” In een supermarkt draait het om details. Toen hij de winkel in het kleine Zandeweer nog had, zette hij wel eens zijn eigen fietsen voor de deur. Zodat het leek alsof er al klanten waren.

Het vooruitzicht dat Oldehove straks zonder winkel zit, gaat er bij Riepma simpelweg niet in. Een dorp als Oldehove kan niet zonder. Het is de enige plek waar inwoners aspirine kunnen kopen, de enige plek waar ze pakketten kunnen versturen. „Denk aan die hevige winter, eind jaren tachtig, toen alles en iedereen insneeuwde. Dan moet je toch een dorpswinkel hebben?”

Denk aan die hevige winter, eind jaren tachtig, toen alles en iedereen insneeuwde. Dan moet je toch een dorpswinkel hebben?

Allert Riepma gepensioneerd winkelier

Met de juiste plannen moet een winkelier hier gewoon rond kunnen komen, vindt Riepma. Hij ziet mogelijkheden te over. Maar zelf is hij sinds een jaar of vijftien met pensioen. Zijn zoon Fré heeft de winkel toen overgenomen. Een paar jaar slechts, daarna besloot Fré een andere droom na te jagen en dominee te worden. Net als Riepma zelf overigens, die theologie ging studeren nadat hij was gestopt met werken en nu ’s zondags vaak op de preekstoel staat.

Eric Brands (50) en zijn vrouw Christien (49) hebben de winkel nu negen jaar. Ook zij zijn Groningers, geboren in de stad. Christien is een kleine vrouw met halflang haar en een rond gezicht, waaraan je haar gemoed op afstand kan aflezen. Eric is eerder het tegenovergestelde: lang, mager en bedeesd. Bezorgdheid, opluchting, blijdschap en emotie – hij toont het niet uitbundig.

Jarenlang woonden en werkten Christien en Eric in Gelderland, totdat ze eind vorige eeuw terugkeerden naar hun geboortegrond. Ze kozen voor de rust van Oldehove. Toen daar in 2010 de winkel vrijkwam, was de keuze snel gemaakt. Eric werkte jarenlang als supermarktmanager en wilde graag nog eens een eigen zaak.

Groot is hun filiaal niet, maar dat is wat ze wilden. Het winkeloppervlak is ongeveer 200 vierkante meter, amper een vijfde van de ruimte die een doorsnee supermarkt tegenwoordig beslaat. Het heeft de vorm van een L – groente, fruit en de koelingen met verse producten vooraan, de kruidenierswaren om de bocht. Met een klein oventje bakken ze dagelijks brood af.

Het werk hebben ze verdeeld, met hulp van drie invalkrachten. Christien opent de winkel in de ochtend, Eric – „geen ochtendmens” volgens zijn vrouw – neemt het in de loop van de dag over. Hij werkt tot sluiting, maakt de kassa dan op en doet bestellingen. Christien gaat naar haar andere baan in de gehandicaptenzorg, tot diep in de avond. Het zijn lange dagen, erkent ze. Maar ze wilde die baan er per se bij houden. Ook omdat de winkelinkomsten van maand tot maand sterk kunnen verschillen.

Eigenares Christien Brands werkte ook al in de gehandicaptenzorg, naast haar werk in de winkel.

 

Hoofdstuk 2

Het dorp

Aan sommige gevels is te zien dat Oldehove ooit anders was. Daar gaan oude stenen abrupt over in nieuwere – sporen van een grootschalige verbouwing. De grote winkeletalages zijn er in de loop der tijd vervangen door kleinere ruiten, waarachter planten staan en gordijnen hangen. Waar vroeger de toonbank moet hebben gestaan, staan nu bankstellen, keukentafels of televisiemeubels.

Jaren geleden was Oldehove een dorp vol winkels, met een bloeiende middenstand. Het had negen kruideniers, voor elke kerkelijke zuil minstens één. Uit de regiokroniek Land en volk van Humsterland, in 1961 geschreven door de lokale onderwijzer Jan Bierma, valt op te maken dat Oldehove begin vorige eeuw ruim veertig bakkers, slagers, kleermakers, timmerlieden en smeden kende. In 1958 waren dat er nog steeds bijna dertig.

Mevrouw Zijlstra, geboren en getogen in het dorp, kan zich die tijd nog goed herinneren. Haar vader had een kleermakerij in de Schoolstraat, die haar broer later overnam. „Onze buurman was schoenmaker en tegenover ons huis zat een smid, waar paarden langskwamen voor hoefijzers. Verderop zat een groenteboer. Onze straat was een heel druk gebiedje.”

Tegenwoordig woont Zijlstra in een appartement in de Ripperdastede, een complex voor senioren die zelfstandig kunnen wonen. Van daar is het ruim een halve kilometer naar de supermarkt. Het is begin maart, ruim drie maanden voordat de winkel sluit. Zijlstra komt vaak bij „Brands”, zegt ze. Een enkele keer winkelt ze ook bij „een grote jongen”, in een van de dorpen verderop. Dat is dan vooral omdat het aanbod in de dorpssuper vrij beperkt is. „Ik houd bijvoorbeeld van een beetje pittig eten. Dat hebben ze niet.”

Toch gaat ze, als het even kan, naar de winkel van Brands en zijn vrouw. Want wil een dorp zijn supermarkt behouden, dan moeten ook de inwoners hun verantwoordelijkheid nemen, vindt ze. „Er zijn nu veel mensen die nooit in de winkel komen. Die hebben een auto en gaan elders heen. Maar je moet ook aan het dórp denken. Als er geen winkel meer is, willen mensen hier minder snel wonen. Dan wordt het een dooie boel.”

Er zijn nu veel mensen die nooit in de winkel komen. Die hebben een auto en gaan elders heen. Maar je moet ook aan het dórp denken.

mevrouw Zijlstra vaste klant

Oldehove is in de loop der tijd een ander dorp geworden, merkt Zijlstra. Van oorsprong draaide het hier om landbouw en veeteelt, en werkten de meeste inwoners in het dorp zelf. Aan de rand van Oldehove, langs de weg naar Englum en Saaksum, staat nog altijd een aandenken uit die tijd: loonbedrijf Mechielsen, een van de grootste verhuurders van landbouwapparatuur in Noord-Nederland. Het is de belangrijkste werkgever van het dorp.

Een dorp van landarbeiders is Oldehove al lang niet meer. Door de schaalvergroting en mechanisatie in de landbouw zijn de meeste boerenknechten overbodig geworden. Veel inwoners doen nu ander werk, dikwijls ver buiten het dorp. In de avond parkeren ze de auto voor hun huis, de volgende ochtend vertrekken ze weer naar hun werk.

Niet dat Oldehove nu uitgestorven is. Dat misverstand wil Menno Groeneveld (69), de vroegere voorzitter van de dorpsvereniging, graag uit de weg ruimen. Een voor een somt hij alle voorzieningen op. Twee basisscholen, twee kerken, een muziekvereniging. Oldehove heeft nog een eigen voetbalclub, OKVC, een dorpshuis, een kapper en een peuterspeelzaal. En wat te denken van visrestaurant ’t Kleine Oestertje, dat elke avond compleet is volgeboekt?

Tegelijkertijd: winkels zijn er amper nog, weet ook Groeneveld. In de loop der tijd zijn ze allemaal verdwenen. Als de supermarkt verdwijnt, blijft alleen de kleine kluswinkel van Freerk Zuidema over, die inmiddels is gepensioneerd maar op verzoek zijn deuren nog opent. En de bakkerij in de molen, die af en toe open is. De winkelstraat is dan leeg. Vandaar dat de dorpsvereniging veel waarde hecht aan het behoud van de supermarkt, zegt hij. Om Oldehove leefbaar te houden.

 

Hoofdstuk 3

De klandizie

Elk jaar werd de rij schoentjes een beetje korter. Eerst begon hij bij de groente, liep hij langs de koelingen de bocht om, om ergens diep in de winkel te eindigen. De laatste jaren stokte de sliert met kinderschoentjes vaak al bij de zuivel, meteen na de bocht.

De schoentjes zijn een jaarlijkse traditie in aanloop naar Sinterklaas. Kinderen mogen dan bij Brands hun schoen zetten en krijgen een cadeautje, in de hoop dat hun ouders, als ze er toch zijn, nog wat boodschappen meenemen. Dat de rij elk jaar slinkt, bewijst volgens Eric Brands twee dingen. Er wonen steeds minder kinderen in Oldehove – het dorp vergrijst. En er komen steeds minder klanten in zijn winkel. Dat laatste ziet hij ook in zijn omzet terug.

Zijn winkel verliest het van Zuidhorn, Grijpskerk of Leens, dorpen op een klein kwartiertje rijden. Daar zitten de Aldi, Lidl, Jumbo en Albert Heijn, met een groter aanbod en dikwijls lagere prijzen. Veel Oldehovenaren komen op weg terug van werk langs Zuidhorn. Dan kun je net zo goed even daar stoppen voor boodschappen. Bij Brands komen ze alleen nog voor een vergeten boodschap: een pak melk, een kropje sla.

Ook moeders en vaders die niet werken, ziet hij minder dan vroeger. Toen gingen de kinderen op de scholen in het dorp in de pauze nog naar huis. Ouders hadden daardoor maar een paar uurtjes om boodschappen te doen en vonden Zuidhorn dan te ver. Maar doordat de scholen tegenwoordig een continurooster hebben, lunchen de kinderen op school en hebben ouders de hele dag om boodschappen te doen.

De klanten die nog wel komen, zijn steeds ouder. De supermarkt voorziet bijvoorbeeld het merendeel van de ouderen in de Ripperdastede van boodschappen. Die kunnen dan komen winkelen, maar hoeven niet met hun inkopen te zeulen – Christien bezorgt ze later op de dag. Alleen: ook die groep wordt steeds kleiner. Eric: „Soms hoor je dat iemand is overleden en dan denk je: wat sneu. Maar toch ook: dat is weer 40 euro omzet per week.”

De ouderen die overblijven, worden bovendien steeds mobieler. Door de groeiende populariteit van de elektrische fiets is de zeven kilometer naar Zuidhorn opeens niet meer zo ver.

Toch valt er, ondanks dat alles, nog prima te leven van de winkel, zegt Christien. Natuurlijk wordt de omzet elk jaar iets minder, maar er wordt elk jaar nog geld verdiend. Een paar jaar hadden ze het zeker nog wel vol gehouden, denkt Eric. Over stoppen dachten ze eigenlijk nog niet na. Dat veranderde toen supermarktketen Spar eind 2016 besloot de Attent-formule, het dochtermerk waaronder het echtpaar Brands actief was, te schrappen.

Soms hoor je dat iemand is overleden en dan denk je: wat sneu. Maar toch ook: dat is weer 40 euro omzet per week.

Eric Brands eigenaar

Attent was bedoeld voor kleinere supermarkten in kleinere plaatsen. Maar twee losse merken in de lucht houden, met aparte folders en huisstijlen, kon niet langer uit, oordeelde Spar. Het bedrijf wilde met één formule verder. Alle ruim honderd winkels die waren aangesloten bij Attent kregen het aanbod over te stappen naar Spar, ook Brands. Voorwaarde was wel dat hun winkel er ook zou uitzien als een Spar.

Eric Brands wijst aan wat hij allemaal had moeten vervangen. Het plafond, de vloer, de verlichtingen, de borden op de gevel. „Ook die koeling moest anders. Dat kost al gauw 20.000 euro. En zo’n broodmeubel kon ook niet meer. Ook 750 euro.” Hij schat dat hij ongeveer een ton had moeten investeren. En dat terwijl hij bij zijn aantreden ook al voor enkele tienduizenden euro’s had verbouwd.

Het is een uitgave die hij misschien nog had aangekund als hij daarna nog jarenlang had kunnen doorgaan. Maar met een teruglopende omzet is dat risico te groot, vindt hij. Daar kwam bij dat het huurcontract bij bovenbuurman Riepma tot dit jaar liep. Als ze wilden stoppen, moest het nu. „Dan ga je hard nadenken of je dit nog wil”, zegt Christien. „Dit jaar word ik vijftig. Ik weet niet of zoveel werken dan nog wel goed is.”

Nederland, Oldehove, 22-06-’19; Eric en Christien Brands in hun Attent supermarkt in het Groningse dorp Oldehove. Na negen jaar sluit deze winkel maar een maand later zal een nieuwe eigenaar de winkel heropenen.

Foto: Kees van de Veen

Nederland, Oldehove, 19-06-’19; Eric en Christien Brands in hun Attent supermarkt in het Groningse dorp Oldehove. Na negen jaar sluit deze winkel maar een maand later zal een nieuwe eigenaar de winkel heropenen.

Foto: Kees van de Veen

In de weken voor de sluiting worden nauwelijks nieuwe producten bijbesteld, zodat er geen voorraad overblijft.

 

Hoofdstuk 4

De inwoners

Van welke kant je ook komt, de weg naar Oldehove voert door tal van Groningse dorpjes. Plekken met namen als Aalsum of Saaksum, Roodehaan of Kommerzijl. Vaak zijn het niet meer dan doorgaande wegen met enkele zijstraten. Oude huisjes van rode baksteen, met soms een eettentje, een lijstenmaker of een atelier. Nergens zie je nog een winkel.

Dooie dorpen, noemen de inwoners van Oldehove dat. Dorpen waar eigenlijk alleen nog wordt gewoond, maar waar nauwelijks nog een dorpsleven is. Overdag is het er vrijwel uitgestorven, omdat iedereen aan het werk is. In de avond zit iedereen binnen. Het zou verschrikkelijk zijn, vinden de Oldehovenaren, als hun dorp ook zo wordt.

Het sluiten van de supermarkt zou een stap in die richting zijn, vrezen veel inwoners. Een winkel zien ze als een „basisbehoefte”. Ze snappen heus wel dat Brands niet kan leven van de ouderen alleen, dat ook zij moeten helpen de winkel in stand te houden. Als inwoners hebben ze daartoe een „collectieve plicht”, vindt Biny Boersma, mantelzorger bij een van de bewoners van seniorencomplex de Ripperdastede.

Ja, ook Boersma doet haar grote inkopen in Zuidhorn. Maar voor de kleine, doordeweeks, gaat ze wel naar Brands. Als iedereen dat zou doen, was er eigenlijk geen probleem. „Laatst zei een vriendin van me dat ze het zo jammer vond dat de winkel wegging. Want waar moest ze nou haar pakje shag kopen? Toen heb ik ook gezegd: joh, van één pakje shag kunnen die mensen toch niet leven.”

Laatst zei een vriendin van me dat ze het zo jammer vond dat de winkel weg ging. Want waar moest ze nou haar pakje shag kopen? Toen heb ik ook gezegd: joh, van één pakje shag kunnen die mensen toch niet leven?

Biny Boersma inwoner Oldehove

Toch zijn het vooral de hoogbejaarden die getroffen worden als Brands verdwijnt. Zij hebben dikwijls geen auto, omdat ze niet meer mogen of willen rijden. En lopen wil nog, vaak met behulp van een rollator, maar fietsen niet meer. Hoe komen zij straks aan hun boodschappen? Niet via internet in elk geval, want voor de koeriers van Albert Heijn en Jumbo is dit gebied een blinde vlek.

Mevrouw Van der Zijl (84) is één van die ouderen in de Ripperdastede. Ze doet al haar inkopen in het dorp. Eens per week rijdt ze met haar scootmobiel naar de winkel om boodschappen in te slaan. Natuurlijk is het daar duurder dan elders, maar „als je dit soort winkels in stand wil houden, moet je er ook iets voor betalen”, stelt ze.

Naar een ander dorp gaan is voor haar nauwelijks een optie. Hoe moet ze er komen? Met mooi weer zou ze nog met haar scootmobiel kunnen, maar in de herfst of winter niet. En de enige bussen die door Oldehove rijden, gaan naar Groningen en Winsum, zeker 20 minuten verderop, en rijden maar eens per uur. Bovendien mag ze daar niet met een scootmobiel in, alleen met een rollator, en daarvoor is ze te slecht ter been.

Het gaat ook niet alleen om de boodschappen. De winkel van Brands is ook het enige servicepunt van PostNL in de omgeving. Klanten kunnen er contant geld pinnen. Het is de enige plek waar klanten een OV-chipkaart kunnen kopen of saldo op hun kaart kunnen zetten.

Maar minstens zo belangrijk is dat een bezoek aan Brands voor veel van haar buren een uitstapje is, zegt Van der Zijl. Het is een plek waar ze „even een praatje kunnen maken”. Een winkel is een trefpunt, waar inwoners elkaar tegenkomen en op de hoogte blijven van wat er in Oldehove speelt. Door een winkel heeft een dorp een centrum.

Christien Brands herkent dat. Achter de kassa besteedt ze vaak meer tijd aan praten dan aan afrekenen. Soms voelt ze zich bijna een „sociaal werkster”, zegt ze. Dat is wat haar werk zo leuk maakt. „Natuurlijk heb je soms je dag niet. Dan denk je: ik weet dat je last hebt van je voet, dat heb je al tien keer verteld. Maar voor sommige mensen is dit het enige uitje dat ze op een dag hebben. Misschien is het zelfs wel het enige praatje dat ze die dag maken.”

Eigenaar Eric Brands werkt tot sluiting, maakt de kassa dan op en doet bestellingen.

 

Hoofdstuk 5

Het einde

Eric Brands kan het niet laten. Telkens als hij langs zijn schappen loopt, zet hij even de producten recht. De logo’s naar voren, in rijtjes van twee. Het spiegelen van zijn waar is een reflex geworden, die hij zelfs op zijn laatste dag als winkelier niet kan onderdrukken. Dat van sommige producten nog maar één of twee verpakkingen staan, maakt hem niets uit.

Het is de eerste dag van de zomer, zonnig maar niet al te warm. Een iets kortere werkdag dan de andere ook. Om drie uur zit het erop, dan zijn klanten welkom voor een hapje en een drankje. Tegen vieren gaan de deuren dicht. Maar tot die tijd is het zaak nog zo veel mogelijk te verkopen, zodat ze met zo min mogelijk voorraad blijven zitten.

Het merendeel van de rekken is al leeg. Wat over is, heeft Brands bij elkaar gezet, zodat het minder verdrietig lijkt. Een handvol kolen en paprika’s, een paar pakken zuivel, drie pakjes bamimix. Het is een soort kwetsbaarheid die je bij supermarkten zelden ziet. Bij de opening, dán is iedereen welkom. Om zich te verlekkeren aan volle schappen, versgebakken broodjes en rijp fruit.

Voor sommige mensen is dit het enige uitje dat ze op een dag hebben. Misschien is het zelfs wel het enige praatje dat ze die dag maken.

Christien Brands eigenaar

Maanden zijn ze bezig geweest om tot dit punt te komen, zegt Brands. Stapje voor stapje hebben ze hun voorraad afgebouwd, bestelden ze steeds minder nieuwe producten bij. Dat begon met fopspeentjes en naaisetjes, dingen die hij weinig verkoopt. Daarna gingen ze van vier soorten rijst naar drie, en toen naar twee. Tot ze in de laatste week alleen het hoognodige nog inkochten, zoals gehakt en brood.

Tegelijkertijd wilden ze wel zo lang mogelijk klanten kunnen bedienen, niet te vaak nee hoeven verkopen. In veel gevallen lukte dat. „Dit is voor het eerst dat ik niet meer alles kan vinden”, zegt mevrouw Huizinga, een oudere bezoeker. Ze kijkt om zich heen, en dan naar Brands. „Ik krijg een beetje kippenvel van zo’n lege winkel.” Hij drukt haar de hand.

Met de lunch in zicht wordt het plots druk in de winkel. Dan komt ook Linda binnen, de buurvrouw van het echtpaar Brands, die niet met haar achternaam in de krant wil. Elke zaterdag komt ze om suikerbrood te halen, en soms wat koeken. Ze is „niet roomser dan de paus”, zegt ze. Ook zij doet haar wekelijkse boodschappen elders. Maar voor een paar kleine inkopen tussendoor is zo’n winkel in het dorp toch fijn.

Nadat ze is vertrokken, komen twee kinderen de winkel in. Ze hebben een doosje met chocolaatjes meegenomen voor Christien. Op de vensterbank staan drie bossen zonnebloemen, een grote mand met lekkernijen en flessen drank. „We hebben héél veel gekregen”, zegt ze. „Zelfs enveloppen met inhoud, gewoon als blijk van dank. Echt heel bijzonder.”

Rond drie uur begint de winkel vol te stromen. Met klanten die er eerder op de dag ook al waren, maar ook vrienden, familie en de kinderen met hun aanhang. De biertjes gaan open en de schalen met hapjes worden uit de koeling gehaald. Of ze emotioneel zijn, willen de gasten weten. Vooral opgelucht, zegt Eric. „Ja, soms is het even…” Hij stokt. „Ja, nu dus.”

Voor caissières Esther en Lotte is het intussen doorwerken: tot op het laatst blijven gasten de overgebleven voorraad kopen. Sita Zijlstra uit het seniorencomplex rekent een doos vol witlof en paprika’s af. Een jongen met een halfleeg flesje bier in zijn kontzak legt twee broden op de loopband. „Dit zijn de laatste. Er is geen brood meer!”

Als om kwart over vier Lotte de rij met winkelwagentjes naar buiten duwt, is dat ook voor de laatste gasten het signaal om te gaan. Alleen de familie blijft achter. Eric en Christien lopen naar de deur en zwaaien. Gezamenlijk draaien ze het slot om.

Traag draait Eric zich om en loopt terug de winkel in. „Wie wil er proosten?” Eindelijk mag hij zelf een biertje.

 

Hoofdstuk 6

Een nieuw begin

Ze droomde er al langer van, het was er alleen nooit van gekomen. Petra Telintel (46) werkte haar halve loopbaan in winkels. Ze deed ooit de detailhandelsschool, ging daarna bij een supermarkt aan de slag, en stapte toen over naar een huishoudwinkel. Altijd was ze in dienst. Een keer iets voor zichzelf beginnen, dat leek haar wel wat.

Toen ze trouwde met Wim (47) – een boomlange man met een bulderende lach en een stevige, bijna gewelddadige handdruk – raakte dat plan een beetje uit zicht. Hij werkte op een boerderij, in de veehandel, en zij hielp mee. Nadat Wim stopte en bij een inseminatiebedrijf was gaan werken, had ze het opnieuw geprobeerd. Maar een boerderijwinkel, daarvoor leende de boerderij waar ze destijds woonden zich niet. Dus toen Petra dit voorjaar hoorde dat de winkel in Oldehove sloot, wist ze: het is nu of nooit.

Ze waren niet de eersten. Zowel de dorpsvereniging als pandeigenaar Riepma was al maanden driftig op zoek naar iemand die de winkel na het vertrek van Brands wilde voortzetten. Er was een echtpaar uit Oldehove dat de mogelijkheden uitgebreid had verkend. Ze hadden alles compleet laten doorrekenen en leken overtuigd dat het ging lukken. Alleen op het laatste moment hadden ze er toch vanaf gezien.

Petra en Wim Telintel, uit het nabijgelegen Niezijl, kwamen pas later in beeld. Ze hoorden van Riepma, die ze wekelijks in de kerk zien, dat hij nog altijd een nieuwe huurder zocht. De tijd begon inmiddels te dringen. Het was bijna april en Brands stond op het punt de contracten met PostNL, ING en de OV-chipkaart op te zeggen. Als ze iets wilden, dan moest het nú.

Toch was hun besluit allerminst overhaast, zeggen ze. Ze wisten precies wat voor winkel ze wilden: vooral veel vers en niet al te veel kruidenierswaren. Waarom zou je achttien verschillende soorten rijst aanbieden? Dan doe je exact wat de grote winkels in omliggende dorpen doen, maar dan op kleinere schaal. En zij kunnen dat altijd goedkoper.

De kerk van Oldehove.

Verse producten, daarmee lok je de klant de winkel in, meent Wim. Knapperige sla, mals vlees, rijp fruit. Ze willen zo veel mogelijk werken met leveranciers uit de regio. Vlees nemen ze af van slagerij Gelsema uit Aduard, brood van bakker Leistra uit Ezinge en appels en pruimen komen van teler Oudebosch uit Niehove. Op die manier mijden ze tussenhandelaren, waardoor ze goedkoper kunnen inkopen. „Dan kun je qua prijs met de grote jongens mee.”

Wim is een man die zelden aarzelt, blijkt meteen. Heeft hij een plan, dan zet hij de schouders er meteen onder. Petra is van de details, iemand die nadenkt over hoe ze kan zorgen dat mensen zich thuis voelen in de winkel. Zij gaat daarom vooral de winkel doen, het kassawerk en de „babbeltjes met klanten”.

Wim richt zich meer op de logistiek: de ritjes langs leveranciers om nieuwe voorraad in te slaan. Ze krijgen hulp van een van hun dochters en iemand die ook bij Brands in de winkel werkte. In het begin zal vast niet alles vlekkeloos verlopen, zegt Wim. Maar als ze goed naar de wensen van klanten luisteren, „komt dat vast goed”.

Het belangrijkste is dat het dorp zich achter de winkel schaart. Daarom hebben ze, met hulp van de dorpsvereniging, een deel van het startkapitaal verzameld via crowdfunding. Wie nu 100 euro inlegt, krijgt verdeeld over de komende drie jaar 110 euro aan boodschappen terug. „Dan weet je dat klanten ook terugkeren”, zegt Wim. 170 inwoners deden mee.

Meteen nadat Brands sloot, zijn ze begonnen met verbouwen. Het plafond moest anders, de inrichting ook. Nu, drie weken na de sluiting, is dat werk bijna af. Op de buitendeur naar het magazijn staat een koe geschilderd, in een weiland. „Telintels Streeksuper”, staat op de gevel. Meteen bij de ingang is een klein koffiehoekje gekomen. „Want onze winkel moet wel een beetje een middelpunt zijn”, zegt Petra.

Nog een paar dagen, dan is de opening. Het moment is niet ideaal, weten ze. Half juli gaat iedereen op vakantie, dus zal de klandizie wat achterblijven. De eerste maanden wordt het een beetje aanzien, verwacht Wim. Pas in de laatste maanden van het jaar zal duidelijk worden hoe hun zaak het nou eigenlijk doet.

Ze hebben er alle vertrouwen in dat het goed komt. Dat klanten straks niet meer alleen voor een vergeten boodschap komen, maar ook voor hun goedkope aanbod met versproducten uit de regio. Dat er in Oldehove plek is voor een winkel, daarvan zijn ze overtuigd. Kijk naar Ezinge, vijf kilometer verderop. Wim: „Dat is veel kleiner dan Oldehove en daar is ook een winkel.”

Of wat te denken van de streekwinkel in Noordhorn, dat zo’n beetje tegen Zuidhorn aan ligt. Als ze ergens last zouden moeten hebben van de grote concurrenten, dan is het daar wel, zegt Wim. „En zij redden het ook. Dus als die winkels kunnen bestaan, waarom dan niet in Oldehove?”

Correctie (11 oktober 2019): In een eerdere versie van dit artikel werd de betreffende fruitteler abusievelijk aangeschreven als Oudenbosch. Dat moet Oudebosch zijn en is hierboven aangepast.