Foto Andreas Terlaak

Overgeven van de stress, die tijd is voorbij voor judoka Noël van ’t End

Interview | Judoka Noël van ’t End Vorig jaar verloor hij alles: zijn relatie, zijn inkomen, de zin om te judoën. Hij zocht hulp bij een psycholoog, kreeg een zachtaardige trainer. En toen werd Noël van ’t End ineens wereldkampioen, minder dan een jaar voor de Olympische Spelen van Tokio.

Als Noël van ’t End (28) de tatami betreedt voor de partij van zijn leven prevelt hij mantra’s van bijgeloof – niemand die het hoort, het zijn opbeurende boodschappen aan hemzelf gericht. Een god heeft hij niet, maar op deze wedstrijddag sterkt een andere grootheid hem. ‘Help me Anton, jij hebt het hier ook geflikt.’

De hele dag al zoekt hij contact met de man van wie hij als klein jochie twee keer training kreeg tijdens een judokamp op het Ponypark Slagharen, een legende, in Japan meer nog dan in Nederland. Op de plek waar Van ’t End nu staat, in de budokan van Tokio, werd Anton Geesink in 1964 olympisch kampioen in de open gewichtsklasse, ten koste van een Japanner. Hij is al negen jaar dood, maar zijn geest waart nog rond in de judotempel, en Van ’t End weet hem te vinden nu hij zélf in een WK-finale staat. In het hol van de leeuw, en óók tegen een Japanner, Shoichiro Mukai, van wie hij amper een jaar geleden een finale verloor. Toen zag zijn wereld er nog totaal anders uit.

Noël van ’t End uit Den Dolder zit in november 2018 aan de grond, mentaal vooral. Omdat hij bij het WK in Bakoe niet bij de beste zeven eindigt, verliest hij zijn A-status, en dus zijn inkomen. Diezelfde dag nog krijgt hij een mailtje van sportkoepel NOC*NSF: stipendium gestopt. Kort daarvoor is hij gedesillusioneerd uit de Parijse voorstad Choisy-le-Roi teruggekomen, waar hij twee jaar heeft samengewoond met de Franse judoka Clarisse Agbegnenou.

Het plan was om goed geld te gaan verdienen in judoland Frankrijk, maar van de Nederlandse judobond krijgt Van ’t End na zijn verloving met Agbegnenou geen toestemming zich tot Fransman te naturaliseren. De bond heeft te veel in hem geïnvesteerd om hem in de kracht van zijn leven aan Frankrijk kwijt te raken. Als hij toch doorzet mag hij volgens de regels van het Internationaal Olympisch Comité drie jaar lang niet op toernooien uitkomen. Dat zou het einde van zijn carrière betekenen.

Hij weet ook niet te aarden in Frankrijk, spreekt de taal niet, is verstoken van familie en vrienden. En ondertussen blijft zijn vriendin successen boeken. Fijn voor haar, steeds lastiger voor hem. Na lang knipperlichten gaat de relatie stuk. Dagenlang sluit hij zich op in zijn kamer. Zijn ouders moeten voor hem koken, zichzelf verzorgen lukt niet. Aan zijn vader vertrouwt hij toe te twijfelen aan zijn toekomst als judoka. Die zegt hem te doen waar hij gelukkig van wordt. Maar wat is zijn alternatief? „Ik judo sinds mijn zesde, het is het enige wat ik kan”, zegt Van ’t End met een wrange lach.

Sinds hij in 2013 stopte met zijn studie civiele techniek en fulltime ging judoën heeft hij geen plan B meer. Dat levert hem zoveel stress op dat hij voorafgaand aan judowedstrijden vaak moet overgeven. In de dagen voor een toernooi hongert hij zichzelf uit om maar onder de negentig kilo te komen, en voor de wedstrijd houdt hij geen voedsel binnen. Zo judoot hij jarenlang op halve kracht.

Harde sport

Binnen de olympische trainingsgroep vindt Van ’t End aanvankelijk weinig steun. Als hij met zichzelf in de knoop zit omdat hij iets van zijn ex op Instagram voorbij ziet komen, wordt hij voor sukkel uitgemaakt. En met zijn wedstrijdstress moet hij zelf maar zien te dealen.

Judo is een harde sport, zegt Van ’t End. De judoka is volledig op zichzelf aangewezen, kan bij verlies niemand verwijten maken. Een foutje is bovendien fataal. Door die druk blokkeert hij soms op grote toernooien.

Maar alles verandert als hij tijdens een trainingskamp in Spanje kennismaakt met Jean-Paul (JP) Bell, een Britse coach. Die vraagt hem wat hij nodig heeft. „In die periode was dat iemand die niet alleen maar hard voor me was.” Als het in zijn kop niet rustig is, is Van ’t End fysiek zomaar 30 procent minder sterk, zegt hij.

Trainen gaat voortaan in samenspraak. Hij mag gas terugnemen als hij een slechte dag heeft, en legt een accent op het mentale gedeelte. Met zijn coach raakt hij bevriend. Zijn vader vindt een appartementje voor hem vlakbij nationaal sportcentrum Papendal in Oosterbeek, zes hoog, in het bos, lekker rustig. Net waar hij behoefte aan heeft.

Van ’t End zoekt contact met een sportpsycholoog, in een poging de stress te leren onderdrukken. Van oud-collega Guillaume Elmont krijgt hij ademhalingsoefeningen. Hij doet het voor: „4 seconden in, 2 seconden vast, 4 seconden uit”.

De tijd heelt zijn wonden, en aan de hand van zijn coach hervindt hij zijn zelfvertrouwen. In maart dit jaar wint hij in Jekaterinenburg zijn eerste grand slam-toernooi en in de maanden die volgen blijft hij gevrijwaard van blessures. Vlak voor hij naar het WK judo in Tokio afreist zegt hij tegen jeugdvriend Florian Hoogendoorn: „Flo, ik ga nog liever dood dan dat ik deze titel niet win.” Alles klopt, hij is bevrijd. „Als het nu niet lukt …”

Op donderdag 29 augustus gaat om half negen de wekker in Hotel Grand Palace, in het noordwesten van Tokio. Het WK voor mannen tot negentig kilogram begint laat, om twaalf uur. Vindt Van ’t End prima, hij is niet zo’n ochtendmens. Hij ontbijt met havermout en een maaltijdshake en neemt de bus naar de budokan, vijf minuten verderop. Vader Peter zit samen met vriend Fred een uur te vroeg op de tribune. Zijn vrouw is niet mee, die wordt gek van hem als Noël moet judoën. Hij is té fanatiek. Als zijn zoon de arena binnenkomt, ziet hij het gelijk: die focus, die lichaamshouding – zijn schouders recht, de kin omhoog. Noël gaat winnen, zegt hij tegen Fred.

Foto Andreas Terlaak

Emmer om over te geven

In de warming-upruimte zet Van ’t End een emmer klaar, voor het geval hij weer moet overgeven. Maar die tijd is voorbij. Op de eerste partij staat nog steeds veel druk, maar hij kan ermee dealen.

In de eerste ronde rolt de Duitser Eduard Trippel zich in een ijzeren houtgreep, na een stroef begin. „Ik laat mensen graag denken dat ze me in elkaar rammen. Maar ik heb geduld, wacht op het juiste moment, lok een reactie uit. En dan sla ik ineens toe.”

Van ’t End heeft een groot wapenarsenaal, kan uit allerlei posities verschillende technieken maken. Het maakt hem lastig te bespelen, ontdekt ook de Australiër Harrison Cassar, die in de tweede ronde binnen dertig seconden met zijn rug tegen de mat vliegt. Van ’t End rukt met rechts aan zijn revers en trekt hem met links over zijn heup alsof het zijn kleine neefje betreft.

Tegen de Zuid-Koreaan DongHan Gwak wordt het een tactisch marathongevecht, dat hij op straffen wint. De Fransman Axel Clerget staat in de kwartfinale symbool voor de pijn die Van ’t End de voorbije jaren heeft gehad. De twee gingen in een trainingskamp wel eens met elkaar op de vuist. Je gaat eraan, denkt hij voor de partij. Clerget heeft geen kans.

De Serviër Nemanja Majdov wijkt niet, in de halve finale, tot diep in de golden score. Van ’t End sjort aan zijn rechtermouw om hem uit balans te krijgen, en zet dan met een luide kreet een heupworp in. Majdov ploft op zijn rug. Het publiek juicht. Dit is waarvoor ze naar de budokan zijn gekomen. Voor het eerst heeft Van ’t End de finale van een WK bereikt.

Na vijf gewonnen partijen ziet hij er gebutst uit. Door een paar flinke beuken duwen zwellingen zijn ogen halfdicht, en hij ziet al zo weinig. Van ’t End werd geboren met een cilinderafwijking, volgens de artsen heeft hij ogen als rugbyballen, met een bijziendheid van -5 aan beide kanten. Contactlenzen blijven niet zitten, hij zou er alleen maar last van hebben. Hij leerde judoën zonder scherp zicht op het scorebord en zijn coach op de tribune. Hij denkt dat hij ten opzichte van zijn tegenstanders in het voordeel is omdat hij minder prikkels te verwerken krijgt en zich beter kan focussen op zijn bewegingen.

Shoichiro Mukai draagt in de finale het blauwe pak, Van ’t End het witte. ‘Help me Anton’, blijft hij herhalen.

De mannen buigen naar voren om elkaar te groeten en dan begint het gevecht om de pakking. Plukken, graaien, driftig als in een hanengevecht zoeken ze contact. Na drie minuten ziet Van ’t End dat Mukai zijn linkerbeen af en toe naar voren laat staan, uit vermoeidheid waarschijnlijk, ook de Japanner heeft er al een lange dag opzitten. Hij weet dan al welke techniek hij gaat maken. Van ’t End wacht, wacht, en als zijn linkerhand eindelijk grip vindt op het pak van zijn zwartharige tegenstander slaat hij toe.

Zijn linkerbeen haakt hij om het linkerbeen van de Japanner heen. Met rechts houdt hij grondcontact. Hij bundelt zijn kracht in zijn romp, die hij als een boog gestrekt op spanning zet. Zijn ogen knijpt hij stevig dicht, zijn gezicht loopt rood aan. Mukai raakt uit balans, maar valt niet, zet in plaats daarvan een stap naar achter. Aanval voorbij, lijkt het. Maar Van ’t End is bezig aan een combinatie. Zijn rechterbeen is in een vloeiende beweging over de mat gegleden en staat pijlsnel klaar om de enkel van Mukai onder hem vandaan te vegen. De techniek heet osoto-kosoto. Van ’t End trainde er bijna een jaar op, en richting de Spelen wordt-ie nog beter. „Het moet natuurlijk ippon worden”, zegt hij. Dan is de wedstrijd meteen afgelopen. In plaats daarvan valt de Japanner op zijn zij – waza-ari – en hoeft Van ’t End nog slechts te verdedigen.

Als de zoemer gaat slaat hij zijn handen voor zijn mond. Het lijkt wel nep wat hij voelt, deze euforie is nieuw voor hem. Hij had nooit verwacht dat er op zulke diepe dalen „zo’n Mount Everest” kon volgen. Hij is de eerste Nederlandse wereldkampioen in tien jaar.

Screenshot

Terug in Hotel Grand Palace maakt hij internetverbinding met zijn telefoon. Hij krijgt een NOS-pushbericht binnen. ‘Noël van ’t End wereldkampioen’ staat er op zijn scherm. Hij maakt meteen een screenshot. Later die avond zit hij met zijn coaches bier te drinken aan de bar als hij gebeld wordt. Het is de minister-president die hem feliciteert en hem in Den Haag uitnodigt. „Heel apart allemaal”, zegt hij terug in Nederland, als de wervelstorm is gaan liggen.

Zijn status is voor altijd veranderd. Over minder dan tien maanden reist Noël van ’t End als favoriet voor olympisch judogoud naar de budokan van Tokio, daar waar hij het met de hulp van Anton al eens heeft geflikt.