Recensie

Recensie Beeldende kunst

Prijs voor Vrije Schilderkunst naar Leo Arnold, Cian-Yu Bai en Machteld Rullens

Beeldende kunst Het werk van de drie winnende jonge kunstenaars is afwisselend: van een echt nieuwe niche (slechte seks) tot een eigenzinnig eerbetoon aan Picasso en lichte, vrolijke landschapskunst.

Winnaars Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst 2019. Van links naar rechts: Cian-Yu Bai, Leo Arnold en Machteld Rullens, in het Koninklijk Paleis Amsterdam.
Winnaars Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst 2019. Van links naar rechts: Cian-Yu Bai, Leo Arnold en Machteld Rullens, in het Koninklijk Paleis Amsterdam. Foto Willemieke Kars

Zouden er nog onderwerpen bestaan die niet geschilderd zijn? Zijn er nog nieuwe stijlen te verzinnen, nieuwe wegen te verkennen? Je vraagt het je af bij het zien van het werk van de vijftien genomineerden voor de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst, vanaf dit weekend te zien in het Paleis op de Dam. Veel van de kunstenaars borduren voort op thema’s en tradities uit de kunstgeschiedenis. Van vroeg-christelijke mozaïeken tot middeleeuwse wandtapijten, van de skeletten van James Ensor tot de bloemen van Georgia O’Keeffe – al die invloeden schemeren door in de inzendingen van de piepjonge schilders.

„Eind 20ste-eeuw nog veel gebezigde woorden als ‘nieuw en vernieuwend’ voelen nu antiek”, schrijft ook juryvoorzitter Paula van den Bosch in het juryrapport. „Ongebreideld optimisme heeft plaatsgemaakt voor bezinning en revisie.” De toekomst is allerminst rooskleurig, en dus kijkt de jongste generatie kunstenaars liever naar het moois dat er al was, zo lijkt het. Luis Xertu bijvoorbeeld, laat een roomwitte, naakte figuur drijven in een decoratief decor van gedroogde planten en herinnert zo aan de dromerige sfeer van de prerafaëlieten.

Leo Arnold, Mishap (olieverf op doek 160 × 175 cm, 2017)

Nieuwe opzet

Sinds vorig jaar is de opzet van de Koninklijke Prijs, bestemd voor in Nederland werkende schilders tot 35 jaar, iets veranderd. Er zijn geen vier winnaars meer, maar drie. Het prijzengeld van de aanmoedigingsprijzen is verhoogd van 6.500 naar 9.000 euro per winnaar. En het aantal genomineerden is teruggebracht van twintig naar vijftien. Het geeft de tentoonstelling iets meer lucht en verdieping. Prettig is dat iedere genomineerde nu twee werken mag laten zien. De winnaars krijgen ieder een eigen mini-tentoonstelling met drie schilderijen.

Winnaar Leo Arnold (Verenigd Koninkrijk, 1993) lijkt zowaar een niche in de schilderkunst te hebben gevonden die tot nu toe onderbelicht is gebleven: ‘Bad-sex-paintings’. „Praten over slechte seks is een taboe”, zegt hij in de catalogus. „Ik hoop dat mijn schilderijen wat verlichting bieden.” De bedscènes, geschilderd in een virtuoze stijl die een mix is van Pablo Picasso en Philip Guston, zijn in ieder geval bijzonder grappig. Op het doek Mishap schreeuwt een mager meisje met krullend haar en stoppelbenen het uit terwijl ze op een geplette penis zit. Ernaast hangt Embers, een monochroom rood schilderij van een Dalí-achtige figuur die slap achterover op bed ligt terwijl alleen zijn geslacht nog fier overeind staat – als een eeuwig brandende kaars.

Cian-Yu Bai, A Path in the Garden (acrylverf op linnen, 95 × 100 cm, 2019)

Vloeibare bomen

Machteld Rullens, Box 1 (karton, olieverf, pigment, epoxy, 110 × 65 cm, 2019)

Veel traditioneler is de schilderwijze van de in Taiwan geboren Cian-Yu Bai, die bekroond werd voor haar drie landschappen. Alles golft en stroomt op haar doeken: bomen lijken vloeibaar en ze laat de lucht golven zoals ook Van Gogh dat zo mooi kon. Maar bij haar geen spoortje zwaarmoedigheid. Haar verfstreken zijn licht en vrolijk en getuigen van een herkenbare, eigen stijl.

De derde winnaar, Machteld Rullens, rekt de grenzen van de schilderkunst flink op. Haar schilderijen zijn eigenlijk objecten, gemaakt van kartonnen dozen die ze bekleedt met epoxyhars, waardoor ze een glanzende, porselein-achtige huid krijgen.

Rullens zegt zich verwant te voelen met Dada-kunstenaar Kurt Schwitters, die ook zo’n fijne knutselaar was. Een van haar objecten, getooid met een stierenkop en een fallus, heet ‘Picasso’. Zo eert ook Rullens de grote meesters uit de kunstgeschiedenis; niet door ze letterlijk te citeren, maar door ze te mixen tot iets eigenzinnigs en onmiskenbaar eigentijds.