‘Mijn hoofdpersonen zijn op zichzelf, net als ik’

Harmen van Straaten (61) schreef zo’n tachtig kinderboeken en illustreerde er vierhonderd. Dat hij er geen Griffel of Penseel voor kreeg, deert hem niet. „Het kinderboek wordt langs een literaire lat gelegd.”

Frank Ruiter

Ook deze Kinderboekenweek geen prijs voor Harmen van Straaten (61), illustrator en schrijver. Geeft niks, zegt hij. De afgelopen twintig jaar schreef hij wel honderd, of nee, tachtig – „ik ben gestopt met tellen” – kinderboeken en illustreerde er vierhonderd. Griffels of penselen heeft hij er nooit mee gewonnen, maar wel De Appel, een internationale prijs voor illustratoren. En de musical die gemaakt werd van zijn prentenboek De Kleine Sneeuwman was een groot succes, vooral in China.

We zitten bij Brasserie van Baerle in Amsterdam, hij bestelt steak tartare, de klassieker van het huis die aan tafel wordt bereid, en een glas witte wijn. Juryprijzen zeggen hem niet zoveel, zegt hij. Hij is bekend bij een grote groep lezers, en wordt door hen gewaardeerd om zijn boeken die „toegankelijk zijn zonder dat ik op m’n hurken ga zitten”. Hem gaat het erom kinderen te laten ervaren dat lezen iets leuks is, ook voor het kind achterin de klas dat letters spellen een bezoeking vindt. De boeken Wat rijmt er op stoep? of Hé, wie zit er op de wc? zijn vrolijk en eenvoudig, een ‘boodschap’ lijkt er niet in te zitten. Nee, schudt hij. „Ik heb zelf niet iets belangrijks te vertellen.”

Ook niet in Alle wielen in de file, waarin een gezin op weg naar opa en oma verzeilt raakt in een enorme file van stinkauto’s en de stad niet eens uitkomt? Is dat niet een soort kritiek op het toenemende autoverkeer? „Ik vond vooral die mopperige vader leuk, die steeds knorriger wordt. En het kind dat hoognodig moet plassen maar wordt genegeerd.”

Op het eind neemt de familie de pont naar het eiland waar opa en oma wonen, en daar is alles autoloos en pais en vree. Is dat een verlangen naar de ideale wereld? „Nee hoor, helemaal niet. Er zijn vaak twee werelden in mijn boeken. De echte, en een fantasiewereld waar het dromerig is, naïef misschien.”

In zijn boeken voor iets oudere kinderen, zo tussen de 6 en 9, speelt vaak een onzeker kind de hoofdrol. In de Super Jan-reeks en Toni Malloni leren de hoofdpersonen dat „elk avontuur begint met een droom” en dat „je bent wat je er zelf van maakt”. Gaandeweg winnen de jongetjes aan zelfvertrouwen, en tegen het eind van het boek geloven ze in zichzelf. Toch een boodschap? Of zien we hier Harmen van Straatens eigen jeugd weerspiegeld? „Nee hoor, ik was niet onzeker. Ik voel wel solidariteit met dat soort kinderen.”

Gewoon een prettig verhaal

Hij had een gelukkige jeugd, zegt hij. Hij was de vierde van vijf kinderen. „Mijn ouders werkten allebei, een oppas hadden we niet, wij leefden ons eigen leven.” En dat bestond uit veel buiten spelen, zelf theezetten en boterhammen smeren. Volwassenen speelden een bijrol, en deden dan meestal ook nog gek of onhandig. „Ik ben een einzelgänger. Dat zijn mijn hoofdpersonen ook. Op zichzelf.”

Hij is net een maand lang onder de mensen geweest – hij was met vakantie in Italië. Vrienden bezoeken, vrienden ontvangen in zijn eigen huis daar. „Een maand is lang voor mij.” Nee, een partner heeft hij niet. Nooit gehad ook, z’n langste relatie duurde een half jaar. „Ik ben er niet zo mee bezig. Ik heb vrienden die uit elkaar gaan, en na twee maanden online gaan om een andere partner te zoeken. De energie die het kost, de teleurstelling die het oplevert. Verliefd zijn is best leuk, maar wát een gedoe.”

Hij is een laatbloeier, zegt hij. Tot z’n veertigste was hij docent recht op een hogeschool – hij is jurist. „Tekenen deed ik er een beetje bij.” Leuke baan, tot hij het niet meer leuk vond en een jaar onbetaald verlof nam om aan de kunstacademie in Londen te leren hoe je animatiefilms maakt. „De verhaaltjes bedenken vond ik het allerleukst. Zo ben ik bij het schrijven terechtgekomen.” En waarom voor kinderen? „Ik had een oom die voor volwassenen tekende.” Dat is Peter van Straaten, de cartoonist. „En een oom die kinderboeken illustreerde.” Gerard van Straaten, die bekend werd met de Kameleon-reeks. „Ik moest iets vinden waarbij ik mezelf kon zijn.” Hij leerde schrijven door boekjes te maken voor kinderen die leren lezen. „Met weinig woorden toch een rond verhaal vertellen.” Geen ik-verhalen, want 7-jarigen hebben nog te weinig empathisch vermogen om zich in te leven in een andere ‘ik’. En, wat hij ook leerde: geen passieve hoofdpersonages in een kinderboek. „Het kind moet niet alleen van alles overkomen, het moet ook zelf kunnen handelen.”

In deze krant kreeg hij het verwijt „gemakzuchtig” te zijn, dat was in een recensie over het Kinderboekenweekgeschenk Jij bent super… Jan! dat hij in 2013 schreef. Hij leest nooit recensies, zegt hij, dus vertel ik hem – globaal – wat erin stond. Hij neemt een slok en haalt zijn schouders op. Elk boek is een „optelsom van ervaringen en waarnemingen”, zegt hij, en iets verzinnen dat helemaal nieuw is, is heel, heel moeilijk. „Ik zag een Harry Potter-film. Dat is gewoon een kostschoolboek. Niks nieuws.” Hij zou zó weer precies dit boekenweekgeschenk schrijven. Toegankelijk voor iedereen, geen wereldschokkende thematiek, maar gewoon een prettig verhaal, bedoeld als lokmiddel voor lezers die het niet vanzelfsprekend vinden een boek te lezen, laat staan te kopen. „Het kinderboek wordt langs een literaire lat gelegd.” En hij vindt die veel te hoog. „Niet alle kinderen houden van lezen, niet alle kinderen gaan naar het gymnasium.” En voor die kinderen moeten er ook boeken zijn? Precies.

Ze zijn zo wereldwijs

Hij bezoekt wekelijks scholen, het merendeel buiten de Randstad, waar de kinderen én leraren het bijzonder vinden, een echte schrijver voor de klas. Vroeger, zegt hij, vond hij zo’n schoolbezoek nogal een opgave. „Dan mochten ze me vragen stellen, maar die kwamen dan niet.” Hij heeft nu manieren gevonden om kinderen tot vragen uit te nodigen. „Ik stel ze zelf vragen. Of ze ruzie ook zo vervelend vinden. Of ze net als de hoofdpersoon wel eens in hun eentje over straat hebben gezworven.”

Nu lukt het hem om een volwaardig gesprek te hebben met 6-jarigen. „Dan zie je die ogen, met van die lichtjes erin. Zo kwetsbaar en onbevangen.” En als het gesprek om wat voor reden toch niet op gang komt, dan geeft hij soms gewoon tekenles. Hij leert de kinderen tekenen zoals hij het zichzelf ook heeft geleerd. Door het te doen.

Wat maakt hem het uit of kinderen liever Woezel en Pip lezen of Geronimo, of het kinderboek geschreven door de vriendin van André Hazes junior. „Ik ben daar heel makkelijk in.” Als ze maar lezen, en daar plezier aan beleven. Zijn favoriete schrijvers toen hij jong was: Paul Biegel, Tonke Dragt, Thea Beckmann. En Annie M.G. Schmidt, vul ik aan. „Nee”, zegt hij. „Daar heb ik dus nooit wat aan gevonden. Zal wel vloeken in de kerk zijn in de kinderboekenwereld. Wiplala vond ik leuk, maar dat vond ze zelf haar slechtste boek.”

Hij schrijft het liefst voor jonge kinderen. Zo tot een jaar of 8, 9. „Daar heb ik het meeste mee, met die leeftijd.” Eén keer heeft hij een young adult-roman geschreven, Wonderland – en die kreeg trouwens heel goede recensies. Maar dat is alweer 16 jaar geleden. „In 14- en 15-jarigen kan ik me niet meer verplaatsen. Ik heb geen aanknopingspunten, ze zijn zo anders dan ik was.” Hoe dan? „Zo wereldwijs, zoveel ervaring, ik heb er geen weet van hoe ze met elkaar omgaan. Ik was ook best zelfstandig, ik had vrienden, we gingen uit, we zoenden heus wel. Maar ons leven was eenvoudiger. Geen mobiele telefoon, niet allemaal van die seksdingen. Of misschien bestond het wel, maar niet in mijn wereld.”

Een eiland met slecht bereik

Hij is nu bezig met een boek voor wat oudere kinderen. „Ik kwam op het idee door een stukje in de krant.” Op een Schots eiland woont een jongetje dat de allerlaatste leerling is op de plaatselijke school. „De juf is vertrokken, en hij krijgt les via Skype.”

Alle andere kinderen zijn ouder en gaan op het vasteland naar school. De volwassen werken ook allemaal aan de overkant. „Eens per week vaart er een pont. In mijn verhaal blijft het jongetje alleen achter, met een geit, een gans en een hond.” Aha, en er zijn daar geen mobiele telefoons op dat eiland? „Dat is zo handig als je schrijft, je bepaalt zelf wat je erin stopt en wat niet.” Hij hoeft maar te verzinnen dat het bereik heel slecht is op het eiland, en die telefoon speelt geen rol meer. En hoe oud is het jongetje? „Een jaar of 12.” Hij had toch niet zoveel met tieners? „Het verhaal speelt zich af buiten deze wereld. Dus dan lukt het me wel.”