Opinie

Leiders en soldatentaal

Beatrice de Graaf

Heeft er iemand recentelijk een hoge militair zien struikelen? En dan geen bananengeneraal, maar een commandant van een westerse, democratisch ingeraamde krijgsmacht? Misschien heb ik iets over het hoofd gezien, maar het is alweer een tijdje geleden dat er grote generaals sneuvelden vanwege slecht leiderschap. Nederland kent genoeg kleinere en grotere schandalen en affaires waar het ministerie van Defensie bij betrokken was of. Maar vaak ging het daarbij om ‘doofpotaffaires’, om misstanden, corruptie, seksueel misbruik, verkeerde omgang met giftige materialen die werden verdoezeld en versluierd. Zelden zijn er de afgelopen decennia schandalen geweest waarbij generaals of commandanten als hoofdpersoon zichtbaar in beeld kwamen. Een van de laatste dramatische affaires betreft de tragiek van Dutchbat-commandant Karremans rond ‘Srebrenica’.

Spannende jongensboeken

Neem dan de politiek. Daar struikelen leiders bij bosjes. Wanneer we met een historische blik naar het heden kijken, kun je de toekomstige spannende jongensboeken over de hybris van Trump of Johnson, met hun nemesissen Pelosi en Merkel al voorspellen. Of ze gaan vallen of niet, voorbeelden van modern leiderschap voor toekomstige afdelingshoofden en managers zijn het niet.

Is het daarom niet eens tijd om weer ouderwets bij de krijgsmacht zelf te rade te gaan? Dat is niet mijn suggestie, maar wel de uitkomst van een serie onderzoeken en publicaties die de laatste tijd zijn verschenen. Horowitz en Fuhrmann (Journal of Conflict Resolution, 2018) concluderen terecht dat in de politieke wetenschappen en internationale betrekkingen de wetenschap van ‘de goede leider’ en de factoren die er voor goed leiderschap nodig zijn, te veel zijn verwaarloosd. In die disciplines richt onderzoek zich te veel op systemen, instituties, organisaties, culturen etc., maar de rol van personen wordt onderschat. Goede biografieën worden daarentegen vooral door historici, journalisten en letterkundigen geschreven. En laten dat nu vaak de boeken zijn die politici of generaals mee naar bed nemen. Vandaar dat Horowitz c.s. concluderen dat er dringend meer theoretische modellen nodig zijn om te erkennen en te begrijpen hoe menselijke keuzes en optredens er toe doen. In Nederland zijn ’t Hart en Boin hier gelukkig al wel jaren mee bezig. Zij hebben afdoende aangetoond dat juist in situaties van grote crises leiders het verschil maken: en wel op het vlak van betekenisgeving, het bieden van duiding en richting, consolidatie van bestuur en beleid op dat moment, en, heel belangrijk, ook met het oog op het afleggen van verantwoording en het trekken van lessen. Denk aan rampen en aanslagen – of de uit de hand gelopen vreugdevuren in Scheveningen. Juist in situaties van extreme chaos en complexiteit kan het optreden van de leider een uitweg bieden – of niet dus.

Wetenschappelijk prikkelend

Wat leert de krijgsmacht ons? Allereerst zijn er de avonturenromans van oud-militairen zoals Delta Force-commandant Pete Blaber, die met zijn titel The Mission, the Men, and Me al aanduidt wat de moraal van het verhaal is: laat je je leiden door je missie of je eigen ambitie? Daarom overigens niet minder leesbaar. Veel serieuzer, en wetenschappelijk prikkelend, is Anthony King, hoogleraar war studies in Warwick, met The Combat Soldier. Hij laat op meeslepende wijze zien hoe het welbevinden, het functioneren en de resultaten van een gewoon infanteriepeloton er de laatste twintig, dertig jaar enorm op vooruit zijn gegaan. En wel sinds de afschaffing van de dienstplicht. Voor die tijd spraken commandanten hun manschappen aan op nationalisme, patriottisme of masculiniteit. Die waarden worden uiteraard nog steeds uitgedragen. King beweert evenwel dat professionaliteit, training, inclusiviteit (toelaten van vrouwen en minderheden in de dienst) en vooral shared leadership nu veel belangrijker zijn – wat hij in zijn boek Command: The Twenty-First-Century General (2019) nog verder uitwerkt. En laat dat nu net ook het motto zijn van een groep jonge landmachtofficieren. Zij hebben onlangs de website Deugdzaam Verweer gelanceerd. Ze houden een pleidooi voor leiders met durf, die mensen ‘op de grond’ ruime bevoegdheden geven, maar verantwoordelijkheid nemen en medewerkers dekken als het misgaat.

Wat maakt deze militairen, die immers opereren in een zeer hiërarchische omgeving, zo veel beter in shared leadership dan de doorsnee politicus? Eindeloos oefenen en drillen is natuurlijk een pré. Als er dan iets misgaat, weet elk pelotonslid nog steeds wat hij of zij moet doen. Zet daar het amateurisme en het gebrek aan improvisatietalent van menig lokaal of nationaal politicus eens tegenover. Nog belangrijker: aan het front gaan staan en zelf de klappen opvangen. Niet duiken, en geen andere organisaties of collega’s de schuld geven. En ruimte bieden om fouten te maken. Een van de commandanten gaf me het lijstje principes dat hij elk nieuw lid van zijn eenheid inprent. Bovenaan: „Wees bij je mensen, daar gebeurt het.” Daarna: „Train om de beste te worden maar nooit ten koste van anderen.” En: „Zeg sorry, en los het onmiddellijk samen op.” Soldatentaal die in parlement en burgersamenleving niet zou misstaan.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.