Een liefde voor hozen en duivels

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: de vuurkolken en stofhozen

Vuurhoos bij een brand op een industrieterrein in het Britse plaatsje Albert Village.
Vuurhoos bij een brand op een industrieterrein in het Britse plaatsje Albert Village. Foto Leicestershire fire and rescue service

Waarom nu de palletstapel bij Scheveningen bij de laatste oudjaarviering zo’n geweldige vonkenregen produceerde en die bij Duindorp niet, is nog steeds niet helemaal duidelijk. Volgens het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid was het een stochastische aangelegenheid. De uitkomst van de palletbrand werd bepaald door een reeks kleinere ontwikkelingen: het drogen van de pallets, het waaien van de wind, het volume van de brandstapel en nog meer. Het voornaamste verschil tussen Scheveningen en Duindorp was dat de stapel van Scheveningen al heel vroeg van onder tot boven brandde. Dat leverde een formidabele ‘trek’ op.

Je had durven zweren dat de aard van het palletmateriaal doorslaggevend was in de vonkvorming maar volgens de OVV was het gewoon allemaal vurenhout. Vreemd: begin dit jaar verklaarden palletfabrikanten nog dat voor pallets vooral grenenhout wordt gebruikt.

Niet zo geïnspireerd

Ook verder maakt het OVV-rapport niet zo’n geïnspireerde indruk. De onderzoekers bedachten geen nieuwe methode om de hoogte van de palletstapels te schatten: ze telden pixels en pallets op het computerscherm. De gemeente Den Haag mat de hoogtes met moderne landmeetapparatuur maar hield daarmee op toen het erop aankwam.

Meer dan de terloopse vermelding verdient het feit dat bureau Efectis, voortgekomen uit TNO’s Centrum voor brandveiligheid, in de loop van 2018 eigener beweging voorstelde de kans op het ontstaan van een gevaarlijke vonkenregen nog eens nader te onderzoeken. Efectis had in 2015 en 2016 laconiek gedaan over dit risico maar raakte gealarmeerd door de vonkenregen die zich bij de jaarwisseling 2017-2018 voordeed. De gemeente had geen interesse in extra onderzoek.

De zelfstandige pyromaan had wel wat meer willen lezen over de middelen die ‘de bouwers’ inzetten om hun pallets aan te steken. Scheveningen gebruikte brandbare gel, een ontstekingsmechanisme en een detonator, Duindorp werkte met kaliumnitraat, suiker en een mengsel van olie en benzine. Als dat in de plastic tassen van Samir A. was aangetroffen had hij een jaar extra gekregen. Wie leverde het kaliumnitraat?

Sprookjesachtig mooi

Over de prachtige vuurhozen (‘vuurkolken’) die zich na half twee begonnen los te maken uit de Scheveningse brandstapel heeft de OVV ook niet veel te melden. Ze zouden een bijdrage hebben geleverd aan de verspreiding van de vonken maar de filmbeelden steunen die suggestie niet. Wat je wel goed ziet is dat de hozen met de vonken en de westenwind mee bewegen richting boulevard en daar uitdoven. En dat ze voorover hellen.

Vuurhozen (fire whirls, fire devils) blijken niet zeldzaam. Ze werden al eerder gefilmd rond het vreugdevuur van Duindorp bij de jaarwisseling 2016-2017 (toen was de wind zuidzuidwest) en in april 2012 rond het paasvuur van Espelo. Sprookjesachtig mooi.

De hozen verschillen, mag je aannemen, niet wezenlijk van stofhozen (dust devils). Ze ontstaan door lokale opstijging van hete lucht en raken onder aanzuiging van omgevingslucht aan het wervelen. (De veel zwaardere windhozen en tornado’s ontwikkelen zich heel anders.) Ook stofhozen zijn niet zeldzaam, je ziet ze op hete zomerdagen geregeld boven hooiland en gemaaide korenvelden. Er zijn plaatsen in de woestijnachtige streken van de VS waar tientallen dust devils per dag worden waargenomen.

In 2005 is in deze rubriek de vraag gesteld of het waar was wat Minnaert in deel drie van De natuurkunde van ’t vrije veld beweerde: dat stofhozen zich altijd dwars op de windrichting verplaatsen. Vaak waait het niet genoeg om daarover zekerheid te krijgen. Bij nader inzien ontleende Minnaert zijn wijsheid aan een publicatie van fysicus en meteoroloog Fritz Otto Rossmann in de Wissenschaftliche Abhandlungen van de Reichsamt für Wetterdienst (1937). Het artikel zelf (Das Bewegungsgesetz der Kleintromben) werd deze week niet gevonden maar het is in 1942 in een handboek aangehaald. Rossmann had waargenomen dat stofhozen aanvankelijk met de wind meelopen maar al snel linksom of rechtsom uit de heersende windrichting wegdraaien, al naar gelang ze zelf rechtsom of linksom wervelden. Zoals een tennisbal met spin uit zijn baan afwijkt.

Schieten op een waterhoos

Rossmann (1898-1961) hád iets met hozen en hoosjes. Als jong marine-officier wilde hij vanaf een duikboot in de Ierse Zee al het vuur openen op een waterhoos, dat was in 1917. Later, in 1953, toen hij voor de Amerikaanse luchtmacht werkte, stelde hij voor tornado’s uit te schakelen met geleide projectielen. Hij was een Minnaert-adept, zoals uit een artikel in Weather (1960) blijkt, maar met die wegdraaiende hozen zat hij fout. Al in 1947 constateerden Amerikaanse meteorologen dat stofhozen gewoon met de wind meelopen. In 1968 heette het nog dat ze daarbij dezelfde snelheid bereikten als de heersende wind op grondniveau maar recenter onderzoek in Nevada en Arizona leverde een correctie op: ze bewegen 10 tot 20 procent sneller (Icarus, 2012). Ze hebben de snelheid die de wind tientallen meters hoog heeft. De hoge wind trekt ze mee en het zal wel daarom zijn dat vuurhozen voorover hellen.

Stofhozen staan sterk in de belangstelling omdat zich, eigenaardig genoeg, ook in de ijle atmosfeer van Mars veel stofhozen voordoen. De hozen laten sporen achter op het Marsoppervlak die een indicatie zijn voor de heersende windrichting. Een fotoserie die de Mars-rover Spirit in 2005 maakte laat zien hoe zo’n spoor ontstaat. Ook alweer adembenemend mooi.