Recensie

Recensie Boeken

Iduna Paalman overtuigt in haar debuutbundel met een eigen stem

Poëzie In haar debuutbundel blinkt Iduna Paalman uit in nauwkeurige observaties. De werkelijkheid blijkt vol absurditeit voor wie lang genoeg naar iets kijkt. (●●●●)

Iduna Paalman (1991) overtuigt in haar debuutbundel met een eigen stem. De ik-figuur legt situaties graag uit en zou overmatig beheerst genoemd kunnen worden, als controledrift in het algemeen niet juist thematisch wordt onderzocht en de gecontroleerde toon niet af en toe radicaal wordt doorbroken. Het nu eens laconieke, dan weer wrevelige stemgeluid komt de inhoud – en ook het zingen dat soms uit de taal zelf lijkt los te barsten – ten goede.

In de stad van de overlevenden is alles schematisch
onder woorden gebracht. Op bordjes onder huisnummers
staat hoeveel geweld is aangedaan, welke pogingen mislukten.
Achter in je boek is een lijst met alle conclusies die ooit
getrokken zijn, je bent een domme leerling als je die niet leest.
Nummer 1: herinneren is aan te leren, kwestie van zowel
gehoorzaam als met walging akkoord gaan met de gang van zaken.

Paalman getuigt van gedicht tot gedicht hoe gereguleerd het leven is, hoe het individu op alle niveaus is ingepakt in een keurslijf van afspraken en structuren waarvan de oorsprong of functie vaak niet meer valt te herleiden.

Juist in het onherleidbare bevecht Paalman een vrijheid, een ruimte waar niet alles geordend of logisch hoeft te zijn. Dat de dichter en de lezer ervoor moeten strijden om tot dit punt te komen, maakt de opluchting des te sterker als het eenmaal zo ver is – wat een humoristische uitwerking kan hebben (Het is waar: ik heb de taart gebakken, ben er/ ingekropen als verrassing. Rustig maar) maar ook verontrustend kan zijn. Dan kan verlangen een uitschuifbare ‘buitentafel’ zijn en een naaste een ‘buitenmens bij open raam’. Het zoemen van de koelkast resoneert met een gesprek dat wordt gevoerd. Alles begint te trillen en niets is meer wat het leek. Nergens staat het woord ‘eenzaamheid’ en toch is alles ervan doortrokken, versterkt door ‘Alleen’ aan het eind van de regel te laten wankelen:

Je handen boven het blad het verlangen
zo glad, kan zonder wassen terug in de kast. Alleen
de hond weet dat de nacht uit de kraan lekt
maar niet in de gootsteen past.

De nacht die uit de kraan lekt maar te groot is om te bevatten, levert meer op dan een prachtig beeld: een ontregelende situatie die alleen mogelijk is in taal.

Broeinest

Een minder overtuigende manier om onder wetten en regels uit te komen, is de manier waarop oorzaak en gevolg regelmatig worden omgekeerd, waardoor op zich mooie vondsten kunnen ontstaan als ‘een wond uit een tegel schrapen’ of ‘de grom uit de hond halen’ maar als dit te vaak gebeurt, wordt het voorspelbaar.

Paalman heeft dergelijke trucs niet nodig. Ze blinkt uit in nauwkeurige observaties. De werkelijkheid blijkt vol absurditeit voor wie lang genoeg naar iets kijkt. De ik-figuur kijkt niet alleen, maar waant zich ook bekeken in ‘Ontvangstbevestiging’, waarin ze een mail heeft gestuurd aan een oude liefde en bij een sloot wacht op een reactie. Verrassend genoeg lijkt de sloot antwoorden te geven. Vruchtbaarheid en mogelijke vormen van een ander bestaan vermengen zich in dit gedicht in een broeinest van zaad, siroop, terug starend bubbeltjesplastic en kikkerdril.

De vlier bloeit – vroeger trokken we er siroop van
en dacht ik dat mannenzaad ook zo rook – ergens ligt
iets te rotten, ik krijg geen antwoord maar dat komt
misschien omdat hij een jonge vader is, de sloot
leeft, er moet gevoed worden, ik
sta klaar

plant zonwerende waterplanten, kijk daar
in het donker ligt het bol van opgehoopte
dichtgeslibde, afgestompte klompen nieuw bestaan
beloftevol bubbeltjesplastic
lensvorming om lensvorming – stripfiguurogen
beloeren mij, gluiperig en geleiachtig
stil is het, misschien brengt hij zijn dochter naar pianoles
bevruchtingen moeten tenslotte de moeite waard
worden gemaakt

Wat de gedichten sterk maakt, is dat Paalman het niet bij een reeks observaties laat – een huidige trend die veel poëzie niet optilt boven een uitgelaten en vaak als energiek ervaren aaneenrijging van vrijblijvende indrukken. Paalmans verontwaardiging, woede en onbegrip ten aanzien van wat haar omgeeft, zindert in haar taalgebruik en wordt ook expliciet gemaakt. Indrukken van het hedendaagse krijgen hierdoor betekenis.

Het genot waarmee ze zich hierbij bedient van een rijke woordenschat is aanstekelijk, zoals in ‘Maria De’ Medici bereidt zich voor’. Deze woorden, in de mond van een strijdbare De’ Medici, zijn bijna te proeven op de tong:

de erehaag werd grafgelid
de feestmusketten klodders slijm, het lofpamflet zegt
alleen nog
verarmt und vereinsamt en zwijgt dan
beschaamd.

De gedichten onttrekken zich in vorm aan een vast patroon en leveren zo een eigen vrijheidsgevecht. Lange en korte gedichten wisselen elkaar af. De opbouw van gedichten is net als de onderwerpkeuze zeer wisselend met onder meer een brief aan een langzame schoonmaakhulp, een ‘doorzakpoonie’, een beschrijving van twee instortende hijskranen en een liefdesbetuiging aan een middenberm.

Mede door het zichtbare plezier waarmee de verschillende soorten gedichten over elkaar heen buitelen, komt de opbouw van de bundel, ingedeeld in vier cycli, plichtmatig over. Er valt geen andere reden voor te ontdekken dan dat het geheel er overzichtelijker door oogt.

Naaktslak

Een grillige lijn die ondanks de opgelegde structuur aan de oppervlakte komt, is een schommelen tussen stramheid en overgave aan het onbeheersbare, tussen zich schrap zetten en zingen. De gedichten waarin Paalman de behoefte om duidelijk te zijn laat varen, schrijnen van schoonheid. Misschien wel omdat deze zo secuur zijn gedoseerd:

kapotgereden naaktslak, ook die overleed
volgens de regels

en waar zijn de kiepkerels, hannekemaaiers
Bommen Berend en zijn maten met bloed en pluchen
pistolen iemand die kotst of speecht sirenes
een steeg waar het helder kan stinken

hier is het leven omgekeerd verdrinken:
longen vol overige richtingen uit
ademen doorfietsen
doorfietsen