Opinie

Met dit overheidsoptreden is het onderwijs niet gediend

Onderwijsblog Het optreden van de overheid rond het Cornelius Haga Lyceum heeft inhoudelijk de schijn van een opzetje, schrijft Jan Drentje. De wet is niet duidelijk over burgerschapsonderwijs.

Het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam.
Het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam. Foto Koen van Weel/ANP

Onderwijsminister Arie Slob (ChristenUnie) dreigt de financiering van het Amsterdamse Cornelius Haga Lyceum stop te zetten als de bestuurders niet vervangen worden. Dat is een unieke dwingende aanwijzing, oftewel een paardenmiddel dat de minister alleen inzet als er sprake is van aantoonbaar wanbestuur. De leiding van de jonge islamitische school zou zich verrijkt hebben, er financieel een rommeltje van hebben gemaakt en zich op een manier gedragen die in strijd is met de geldende gedragscodes. Zo noemde de directeur-bestuurder burgemeester Femke Halsema een „domme gans”, in reactie op haar beschuldiging dat hij banden zou hebben met terroristische bewegingen.

De rel ontstond nadat de AIVD de gemeente had geïnformeerd over ernstige antidemocratische invloeden op de school. Halsema maakte dit bekend omdat zij de ouders wilde informeren over de zorgelijke situatie. Een door de AIVD bewust opgezette ‘verstoringsactie’ om de democratische rechtsstaat te beschermen. De bestuurder en de school kwamen in opspraak op basis van ernstige aanwijzingen, maar harde bewijzen waren er niet. De school kon zich daarom moeilijk tegen de beschuldigingen verdedigen. Op de website van het Haga wordt het overheidsoptreden als nodeloos stigmatiserend en als bestuurlijk onzorgvuldig bestempeld.

Vervolgens voerde de onderwijsinspectie een uitgebreid, versneld onderzoek uit naar het onderwijs op de school. Een kort daarvoor opgesteld, overwegend positief concept-rapport op basis van een beperkter onderzoek werd ingetrokken. Het nieuwe inspectierapport was snoeihard, opnieuw over het bestuur, maar wat relevanter is: de school zou niet genoeg invulling geven aan de wettelijke opdracht tot bevordering van actief burgerschap en sociale integratie, en niet genoeg aandacht schenken aan mogelijke risico’s die leerlingen in dat verband lopen. Dus werd het onderwijsaanbod als geheel onvoldoende beoordeeld.

Dit harde oordeel en vooral de inhoudelijke motivering ervan overstijgt de casus van het Haga Lyceum, omdat het vragen oproept over wat er van orthodox-religieuze scholen verwacht mag worden in het kader van de wettelijke verplichting burgerschapsonderwijs aan te bieden.

Lees hier meer artikelen over het Cornelius Haga Lyceum

Burgerschapsonderwijs

De wet op het burgerschapsonderwijs stamt uit 2006 en is een direct gevolg van de zorgen om de multiculturele samenleving. Integratie met behoud van de eigen cultuur moest niet leiden tot zogenoemde parallelle samenlevingen waarbij kinderen van niet-westerse immigranten onvoldoende kennismaken met de fundamentele uitgangspunten van de democratische rechtsstaat. De vrouw moge volgens de orthodoxe islam ondergeschikt zijn aan de man, op school moeten leerlingen ook leren dat in Nederland mannen en vrouwen gelijke rechten hebben. Het burgerschapsonderwijs gaat ervan uit dat leerlingen opgroeien in een pluriforme samenleving en moet gericht zijn op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie. Daarbij wordt in het bijzonder het respectvol omgaan met seksuele diversiteit benoemd.

Onderdeel van diezelfde diversiteit zijn ook orthodox-religieuze scholen die op het punt van seksualiteit en man-vrouwverhoudingen beslist op andere kernwaarden gebaseerd zijn. Zo verklaarde SGP voorman Kees van der Staaij zich recent solidair met de zogenoemde Nashville-verklaring, waarin werd gesteld dat een mens zich niet mag positioneren als homoseksueel of transgender.

De vrijheid van onderwijs is gewaarborgd in artikel 23 van de Grondwet en maakt door het Rijk bekostigde scholen op religieuze grondslag mogelijk. Hoe moet op een dergelijke school burgerschapsonderwijs worden gegeven? Daarover zegt de wet niets. De Onderwijsinspectie geeft zelf in een onderzoek uit 2017 aan dat de wet niet duidelijk is over wat er precies van scholen verwacht wordt. Er is veel ruimte voor eigen invulling. De inspectie sprak zorgen uit over die invulling, niet per se op religieuze scholen, maar op alle scholen. Minister Slob bereidt daarom wetgeving voor die duidelijkheid moet verschaffen over wat er van scholen wordt verwacht.

Lees ook: Het Haga kreeg eerder dit jaar nog complimenten van de inspectie

Hoe moet een op een orthodox-religieuze school lesgegeven worden over seksuele diversiteit? Enerzijds zal de school duidelijk willen maken wat de strikte godsdienstige uitgangspunten zijn. Maar op grond van de wet zal de leerlingen in het burgerschapsonderwijs moeten worden geleerd dat die standpunten niet het uitgangspunt zijn voor de Nederlandse wetgeving en de manier van samenleven. Dus: ook van deze leerlingen mag verwacht worden dat zij respectvol omgaan met mensen die niet leven volgens hun orthodoxe normen en waarden. Maar moeten zij ook verplicht worden een regenboogmanifestatie te bezoeken? Vice versa mag van niet-religieuze leerlingen op andere scholen verwacht worden dat zij respectvol omgaan met mensen die leven volgens een bepaalde godsdienstige overtuiging. Moeten zij verplicht een keer naar een moskee?

Voldoet het onderwijs op het Haga Lycuem hieraan?

In het ingetrokken concept-inspectierapport waren het onderwijs en de kwaliteitszorg nog voldoende. Ook het burgerschapsonderwijs was in principe in orde. Er werd gestreefd naar een open houding tegenover de samenleving met behoud van eigen identiteit. Een bezoek aan de Tweede Kamer was onderdeel van het programma. Wel tekende de inspectie aan dat het burgerschapsonderwijs nog weinig samenhang vertoonde en dat het behalen van leerdoelen in dit verband niet werden gemeten. Maar: de inspectie rekende de school dit niet aan omdat deze manco’s op tal van scholen voorkomen.

In het nieuwe rapport oordeelt de inspectie echter dat de school onvoldoende invulling geeft aan de wettelijke opdracht tot bevordering van actief burgerschap en sociale integratie. Ook schenkt de school volgens de inspectie onvoldoende aandacht aan mogelijke risico’s die leerlingen in dat verband lopen. Hoewel de onderwijskwaliteit op alle andere onderdelen voldoende is, wordt op basis hiervan het onderwijs als geheel als onvoldoende beoordeeld.

Wie benieuwd is naar de schokkende bevindingen die aan dit gewijzigde oordeel ten grondslag liggen, komt bedrogen uit. De inspectie rapporteert zelf dat tijdens de vele lesbezoeken nergens is gebleken dat het onderwijs in strijd is met basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Ook in uitingen van docenten en in het lesmateriaal was dit niet het geval. Aan seksuele diversiteit wordt voldoende aandacht gegeven. Ook werd feitelijk geen invloed van salafisme geconstateerd. Godsdienstlessen werden bij gebrek aan een docent niet gegeven. Ook tijdens de vrijdagmiddag preek was geen onvertogen woord te horen.

Als bezwaar noemt de inspectie nu ineens dat de invulling van sociale integratie vooral plaatsvindt vanuit het perspectief van de eigen identiteit. Is dat verboden? Het eerder geconstateerde – ook elders voorkomende - gebrek aan samenhang in het burgerschapsaanbod wordt nu een risico genoemd. Er zou te weinig aandacht zijn voor democratische basisvaardigheden (er is wel een leerlingenraad).

Ambtsbericht AIVD kritiekloos overgenomen

Nuttige kritiek, maar rechtvaardigen deze bevindingen de inzet van Slobs paardenmiddel, de dreiging de bekostiging stop te zetten? Het enige feit dat het harde oordeel van de inspectie zou kunnen rechtvaardigen is de rapportage van de veiligheidsdienst over samenwerking met personen met een omstreden reputatie ‘waar het gaat om bevordering van actief burgerschap en sociale integratie’. En het feit dat de bestuurdersvoorzitter zich hier onvoldoende zou hebben gedistantieerd. Maar: tijdens het inspectieonderzoek zelf is hiervan niets gebleken. In feite wordt het ambtsbericht van de AIVD zonder kritiek of toelichting overgenomen.

Inmiddels heeft het Haga Lyceum een nieuwe bestuurder voorgesteld om aan de eisen van de minister te voldoen, hoewel de school inhoudelijk tegen de beslissing van de minister in beroep zal gaan. De AIVD, gemeente en het ministerie lijken met succes een onwelgevallige bestuurder aan de kant te hebben gezet. De verhouding tussen de bestuurder en de gemeente was van het begin af aan al slecht.

Het doel is de leerlingen van het Haga Lyceum beschermen tegen ongewenste radicale invloeden. Maar: dit is in bestuurlijk opzicht een bedenkelijke gang van zaken aangezien er geen bewijzen zijn voor daadwerkelijke invloed van radicale groeperingen. Hoe verdraagt dit soort verstoringsacties van de AIVD zich tot de beginselen van de rechtsstaat?

Lees ook: Schooldirecteur Atasoy: ‘Het Haga gaat niet sluiten’

Evaluatie

Het nieuwe inspectierapport brengt geen feiten aan het licht die wijzen op invloed van radicale groeperingen. Het rapport geeft eerder de indruk van een keurige school. Geconstateerde manco’s in het burgerschapsonderwijs gaan terug op door de inspectie zelf geconstateerde onduidelijkheden in de wetgeving. De hele gang van zaken vraagt daarom om een serieuze politieke en juridische evaluatie. En vervolgens om duidelijke richtlijnen voor scholen en het inspectietoezicht. Wat moet de handelwijze zijn als er een verdenking is van radicale invloeden op het onderwijs? Want het zal vaker voorkomen dat een persoon met sympathie voor het salafisme betrokken is bij een islamitische school.

Bij zwaarwegende verdenkingen van radicalisme zou de minister bijvoorbeeld een rijkstoezichthouder aan een school moeten kunnen toevoegen – met vergaande bevoegdheden. Nu heeft het overheidsoptreden inhoudelijk te veel de schijn van een opzetje tussen gemeente, AIVD, de minister en de onderwijsinspectie. De zaak van goed burgerschapsonderwijs, juist ook op orthodoxe scholen, is met dit soort overheidsoptreden niet gediend. Nu is eerder het wij-zij-gevoel versterkt. De school groeit, in de beeldvorming: tegen de verdrukking in.

Jan Drentje is rector voor een school voor volwassenonderwijs en docent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Correctie (10 oktober 2019): In een eerdere versie van deze column werd SGP-leider Kees van der Staaij foutief aangeduid als Van de Staaij. Dat is hierboven aangepast.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.