Recensie

Recensie Boeken

De nieuwe Ronald Giphart is een lekkere roman over een vriendengroep die ouder wordt

Ronald Giphart In een lekkere roman over zes vrienden in een brouwerij is de saamhorigheid ook bedrieglijk.

Illustratie Paul van der Steen

Gezellig boek, de nieuwe roman Alle tijd van Ronald Giphart – en die kwalificatie is beslist positief bedoeld. Al in de eerste tientallen pagina’s maakt de schrijver het je uitbundig naar de zin, hij opent de deur, spreidt het bedje, neemt als een smakelijk verhalenverteller alle tijd (jawel) om je welkom te heten. Hij opent met een oorsprongsverhaal dat gloedvol teruggrijpt naar de Middeleeuwen, weidt uit met lekkere anekdotes voor elk van de zes personages waarover de roman zal gaan, over de vriendengroep die zij worden, het ‘sextumviraat’. Nu ontwaakt eerst de één als onvervalste feeststudent in een vreemd bed, de ander valt flauw in de snijzaal van het universitair ziekenhuis, enzovoorts, weer een ander snoeft tegen een meisje dat hij Piet heet, nee Pieter, Peter, Pierce, nee: hij zegt Penis.

Lekker dan. Tikje flauw en studentikoos – het is evenzeer waar dat die branie nooit helemaal weggeweest is uit de romans van Ronald Giphart (1965), als dat de tijd wel degelijk voortgeraasd is, zoals aan het begin van het tweede hoofdstuk. In die verhaallijn is het dertig jaar later. In de tussenliggende tijd veranderde de wereld wel én niet. Nog steeds gaat het over dezelfde vriendengroep, de jongens werden mannen maar bleven ook jongens – en de tijd deed z’n (slopende) werk.

Ouder en wijzer werd ook Gipharts oeuvre: bijvoorbeeld zijn sterke vader-zoonroman Harem (2015) bewees dat zijn reputatie van studentenschrijver niet het hele verhaal was. Maar in Alle tijd ligt het zwaartepunt weer bij de jonge jaren, in de sferen van Ik ook van jou (1992), Giph (1993) en Phileine zegt sorry (1996). Alleen al getalsmatig: halverwege het boek zijn we nog geen decennium verder dan het begin (dus dan moeten er nog twee), en in de hele roman nemen de hoofdstukken over het verleden meer ruimte in beslag dan die in het heden. Ook gevoelsmatig. Het is zoals de verteller in een dramatische bui opmerkt: ‘We zijn als vissers die een enorm net met ons verleden achter ons aan slepen, waardoor onze boot steeds langzamer vaart en er dus steeds minder herinneringen bij komen.’

Spreken met één mond

In 2019 staat de vriendengroep op het punt van uiteenvallen, omdat ze de bierbrouwerij Alle Tijd, die ze samen oprichtten in een Utrechtse werfkelder, nu van de hand doen. Dat geeft het boek een melancholieke ondertoon, maar dan vooral in die terugblikhoofdstukken. De roman vertelt het verhaal van hun vriendschap: we volgen Jonas, Cola, Berend, Gregor, Luciën en Mike jarenlang, en daar is de toon vooral opgewekt. Vrienden, vrouwen, vrijpartijen, een lach en een traan.

We volgen de zes in min of meer dezelfde mate: er is niet één hoofdpersoon, de groep is het hoofdpersonage. Dat laat Giphart weerspiegelen in een opmerkelijk vertelperspectief: het verhaal wordt verteld door een naamloze ‘wij’, zonder dat dat terug te voeren is op een individu. Dat is nog wat anders dan het wij-perspectief in bijvoorbeeld Wij (2009) van Elvis Peeters, waarin je nog de stem van een van de groepsleden kon ontdekken. Hier bij Giphart is de groepsidentiteit zo sterk dat de groep werkelijk met één mond spreekt. ‘Voor een groot deel bestaat vriendschap uit gedeelde overdrijvingen en verdichtingen’, analyseert de verteller vroeg in de roman. De perspectiefkeuze is daar een treffende uitwerking van.

Die eenstemmigheid vergroot de gezelligheid, of versterkt in elk geval de saamhorigheid. Tegelijk is dat saamhorige gevoel bedrieglijk: er valt in Alle tijd volop leuks te lezen over schuimend bier en bijvoorbeeld een groepsvakantie naar Florida, maar daar heeft de persoonlijke aandacht wel onder te lijden. Dat bedoel ik als een inhoudelijk compliment én als vormkritiek.

Om met het goede te beginnen: inderdaad, zo kan het gaan in een groep, de eenling kan zomaar kopje-onder gaan in de maalstroom van de gezelligheid, zoals bijna gebeurt tijdens die Amerikaanse vakantie. Die dubbelheid is tegelijk het interessantste, vernuftigste dat Giphart over het thema vriendschap laat zien – sterker dan de bespiegelingen van Aristoteles, Montaigne en Kierkegaard, die hij kwistig rondstrooit, maar die eigenlijk niet tot inzicht leiden.

De keerzijde van die wij-vorm is dat de verteller een amorfe, onbestaande instantie blijft, die door zijn kunstmatigheid afstand schept. Ook zadelde Giphart zich op met een groot aantal personages die hij allemaal in even grote mate interessant moet maken – wat hem niet zo sterk lukt als Marijke Schermer in haar recente mozaïekroman Liefde, als dat het is. Het wil bij Giphart nog wel eens gebeuren dat je als lezer al geacht wordt te treuren om een verbroken relatie terwijl je de liefde nog nauwelijks had zien bloeien. Dat bemoeilijkt het meevoelen.

Dode lichamen

Nou valt er alsnog veel te voelen in Alle tijd. Want wie dacht dat het een roman over louter fijne, warme gezelligheid was, en dus een vederlichte, pijnloze roman, komt minder vrolijk uit dan voorzien. Waar zes mensen zijn, is ook het leed zesvoudig. Verbroken relaties, pijnlijke overspeligheden, ruzies, ziekte, verlies, sterfte: vooral in de tweede helft van de roman gebeurt er veel rottigs. Soms veroorlooft Giphart zich daarbij een licht sentimentele samenloop van omstandigheden: wanneer medicus Luciën een man met een dichtgeslibde ader van de dood heeft gered, besluit hij ostentatief ‘zijn hart achterna’ te reizen. Op die manier is de schrijver nog iets te vaak aanwezig in zijn tekst als sturende instantie, zoals ook in woordgrapjes die toch oprispen wanneer ze niets toevoegen (de brouwerijfinanciën regelen de mannen ‘naar bier en geweten’ – tja).

Dat is zonde, want ingenieus en beklijvend is hoe Giphart de dood als thema aanroert, door van dode lichamen een terugkerend motief te maken. Lijken zijn rekwisieten in de snijzaal, en ongemakkelijke waarheden bij verplichte jachtpartijen op het Duitse landgoed van een van hun vaders. Elke keer is weer de vraag: hoe gaan de mannen met de dood om?

In Gipharts oeuvre wordt er nooit definitief bij de pakken neergezeten – denk aan Ik omhels je met duizend armen (2000) en Troost (2005) – want tegenover leed staan altijd liefde en leven, op het wanhopige af. In de slotscène, die een grande finale had moeten zijn, wordt dat vooral potsierlijk. Zo zijn er iets te veel punten aan Alle tijd die afleiden en de roman uit evenwicht brengen, waardoor die minder geeft dan Giphart in zich heeft.