Geniet gewoon eens van vertraging

Tijd Het almaar versnellende leven dreigt ons weg te sleuren van de biologische tijd, van dag en nacht, van de seizoenen. Vertraging biedt daarom redding. schrijft Christiaan Weijts.

Illustratie Astrid van Rooij

‘Back in five minutes!” Het briefje van de hotelreceptie was een geprint A4’tje, waar met balpen onder was geschreven: „(Italian minutes)”. Aanvankelijk vond ik het schitterend. Dit was precies waarvoor je naar Venetië ging. Dit was verdwalen en onthaasten zoals het bedoeld was. Maar toen ik anderhalf uur later nog steeds geen kamersleutel had, vond ik het wel weer welletjes, dat hele dolce far niente.

Ik probeerde er, op het naastgelegen terrasje, onthecht mee om te gaan, niet telkens die verstreken, uiterst Hollandse minuten te checken. Maar juist in deze stad ontsnap je nergens aan de tijd. Die krijg je hier vanuit elke toren toegeslingerd, precies zoals die tegenwoordig thuis, in de gewone wereld, naar je loert vanaf elk digitaal apparaat. Tv, smartphone, magnetron, autodashboard en pc-scherm, allemaal hebben ze die vier oplichtende cijfers, even onontkoombaar als de beeltenis van de Heilige Maria in Italië.

De klok is onze afgod, en je zou haast vergeten hoe kort dat nog maar is. Zeker in Nederland. Bij ons begon de kloktijd feitelijk pas op 1 mei 1909. Toen voerden wij eindelijk een landelijke standaardtijd in, de Amsterdamse tijd, gebaseerd op die van de Westertoren. Moet je je voorstellen: daarvóór was het in Zutphen dus altijd zes minuten later dan in Zaandam, en in Leiden vijf minuten vroeger dan in Lochem. Elke plaats zette de klok nog gelijk op een eigen zonnewijzer op het kerkplein. De tijdsbeleving stond nog veel dichter bij de biologie dan bij de technologie.

Spoorwegen en de industriële productie- en transportprocessen hebben dat veranderd. De klokken van arbeidskrachten en de toeleveranciers van grondstoffen moesten synchroon lopen om de productieketen effectief te laten draaien. In Engeland hadden ze dat in 1847 al begrepen. Zodra alle radartjes van de economie gelijkliepen, kon je het hele proces versnellen, in lijn met het kapitalistische systeem, dat voortdurende groei van productie en consumptie vereist.

En daar plukken we nu de vruchten van. Daarom zijn wij, mensen van de klok, chagrijnig als de Italiaanse minuten wel érg Italiaans worden.

We zijn gewend geraakt aan een synchrone wereld, die steeds versnelt en de afstanden tussen de verbindingen verkort. Toekomstige hyperloops, treinen die als een capsule door een vacuümbuis schieten, zouden meer dan duizend kilometer per uur kunnen gaan. De Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA werkt aan een supersonisch vliegtuig dat de 1.500 kilometer moet aantikken.

Natuurlijk zijn de afgelopen eeuwen die van een steeds maar hogere versnelling geweest, maar als je goed in die wervelwind kijkt vind je nog altijd menselijke activiteiten en processen die zich aan die versnelling onttrekken. Probeer maar eens een muziekstuk versneld af te spelen. Of een toneelstuk op dubbele snelheid op te voeren. Of een uitvaart in een kwartiertje af te werken. De overeenkomst: het zijn belevenissen met een verhalende structuur, die hun eigen ritme afdwingen, hun eigen tempo en duur. Ze liggen dichter bij die zonnewijzer.

Probeer maar eens een voor-het-slapen-verhaaltje voor te lezen in één minuut. Of wacht. Dat schijnen ouders massaal te doen, vooral in de VS, waar ze massaal vallen voor verzamelde ‘one-minute-bedtime stories’. En dan gaat het niet om een Italiaanse minuut.

Je voelt het wringen: ook die niet-versnelbare, narratieve processen en rituelen willen we in de grote versnellingsbak van de rendementswereld gooien.

Ik heb als vader die fout ook weleens gemaakt, tijdens een van de eerste Sinterklaasavonden, met meerdere kinderen, die zich allemaal tegelijk op de zak met cadeautjes stortten, die in no-time waren uitgepakt. Daarna hielden we een strakke regie op het ritueel: één voor één een cadeautje komen halen, aandacht voor elkaar bij het uitpakken. Natuurlijk zijn ze ongeduldig, en frustreert die vertraging ze. Maar ze hebben er wel sterkere en betere herinneringen aan. Pakjesavond hoort iets anders te zijn dan het uitpakken van een pakketje dat aan huis wordt bezorgd: een ervaring.

In de neiging tot instant-bevrediging moet je soms bewust wrijving en vertraging inbouwen, obstakels opwerpen. Als we dat vergeten of verleren, en ook zulke rituelen in de centrifuge stoppen, fantaseren we straks niet meer over wat we missen; de virtuele tovenaars van big tech weten straks zelfs eerder waar ik behoefte aan zal krijgen dan mijn bewustzijn, en leveren de pasklare bevrediging al aan nog vóór er zoiets als gemis en verlangen kan ontstaan om de cyclus van pogingen, obstakels, triomfen en herinneringen in werking te zetten.

Lees ook: Dagboek van iemand zonder haast: ‘Mijn kinderen hebben geen haast, dus ik ook niet’

Ervaringen horen zich aan productieketens te onttrekken. Je moet je horloge erbij afdoen. Tenzij die Italiaanse minuten aangeeft, of een uitklapbaar zonnewijzertje heeft.

De vraag is of inchecken bij een hotelreceptie zo’n rituele, niet-versnelbare ervaring is. Ik raakte er, naarmate de klokken vaker gegalmd hadden, van overtuigd dat dit niet zo was. Maar in een restaurant mag het horloge uiteraard weg. Sterker nog, daar moet de telefoon uit, en keren we terug naar het biologische ritme, en navigeren we na afloop op de sterren terug naar dat hotel, waar nog altijd pas over vijf minuten iemand een sleutel kan geven.

Welke activiteiten en gedragingen scharen we onder de rituele, noodzakelijk trage, en welke onder de versnelbare? Daar zal iedereen een eigen keuze in maken, maar laat er dan eerst het besef zijn dat er zo’n keuze is, dat niet alles per se de deeltjesversneller in hoeft, en dat we, ook mentaal, leren wisselen tussen snelheid en traagheid, die allebei hun eigen kwaliteiten en waarde hebben.

Er zijn twijfelgevallen, zoals het fysieke transport. De geschiedenis van de snelheid is niet los te zien van die van de kapitalistische productie en de exploitatie van grondstoffen. Sinds de uitvinding van de stoommachine en later de verbrandingsmotor zijn afstanden verkort. Fossiele brandstoffen, in miljoenen jaren opgebouwd, hebben we in luttele decennia opgestookt om de obstakels van tijd en ruimte te overwinnen.

Zal het onvermijdelijke einde van die fossiele brandstoffen nu ook het einde van die versnelling betekenen? Als je door een bepaalde bril kijkt, kun je daar wel de voortekens van zien. Bijvoorbeeld dat door het stikstofprobleem de 100 km-bordjes weer terug op de vangrails worden gespijkerd. En dat vliegschaamte ons de treinen in jaagt. In Frankrijk fuseren Thalys en Eurostar om de reizigers uit het vliegtuig te halen. ‘Greenspeed’ is de werknaam, maar vergeleken bij de Boeings van Air France zal het toch trager zijn. Zoals de klimaatcrisis de energietransitie afdwingt, zo kan zij ook een herwaardering voor de tragere tijdsbeleving stimuleren.

Is snel transport wel altijd zo wenselijk? O ja, honderd jaar geleden wel, al was Nederland wat traag in het omarmen van bijvoorbeeld het automobilisme. Toen wij eindelijk de klokken gelijkzetten – toevallig precies op de dag na de geboorte van kroonprinses Juliana – maakte het pas gepubliceerde ‘Futuristisch Manifest’ van Marinetti al furore in de rest van Europa. De wereld was „verrijkt met een nieuwe schoonheid: die van de snelheid. Een race-auto, zijn motorkap versierd met dikke buizen als slangen met explosieve adem… een ronkende auto die als hij rijdt op een mitrailleur lijkt, is mooier dan de Nikè van Samothrake.”

Maar niet bij ons nog. Vooral op het platteland werden de bestuurders van die snelheidsmachines nog geregeld belaagd, omdat ze ongelukken veroorzaakten en de paarden op hol lieten slaan.

Er is een vergeten, pijnlijk relletje waar Nederland in mei 1914 in belandde, luttele weken voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Een Fransman had tijdens Pasen met zijn vrouw en een vriend een tochtje gemaakt per automobiel, en bij Harderwijk waren ze door een menigte jongeren belaagd. In de garage smeten ze met fruitschillen en stokken. Bij de haven werden ze achtervolgd, de vrouw bijna gewurgd door een visser, en door de stegen moesten ze wegvluchten voor een stenen gooiende menigte van wel tweehonderd Harderwijkers.

De Franse minister van Buitenlandse Zaken diende een klacht in. De Tweede Kamer debatteerde erover. In de Nederlandse kranten woedde wekenlang discussie over ‘Barbaarsch Nederland’. Was het vreemdelingenhaat? Of waren ze op het platteland nog niet gewend aan gemotoriseerd verkeer?

Perfect gestroomlijnde techniek verveelt. Een vlucht of een treinrit is doodsaai

Voor de commentator van het blad Auto-leven, Tom Schilperoort, was het zonder twijfel dat laatste. „Want de strijd, die daar gevoerd werd, was hard tegen hard: die van de ultra-rondrazende beweging tegen die van den door traagheid haast kwaadwillende sleurgang. In welke vorm ook, het was het bewegende tegen het stilstaande, het kleurige tegen het grijze.”

De weerstand tegen de auto en het gebrek aan goede infrastructuur zijn een terugkerende klaagzang van deze Schilperoort, een fascinerende en vergeten figuur, die in Montmartre had gewoond, met Kees van Dongen en Pablo Picasso bevriend was geraakt en zich ondergedompeld had in de hectiek van de Lichtstad vlak na de eeuwwisseling. Dat verklaart mogelijk waarom hij dit auto-incident onmiddellijk plaatst in zijn terugkerende ergernis over „ons kleine land”, dat „de vernieuwende kracht der levenstroom” buiten de deur houdt, „om alleen als we héél groot willen doen, met de restjes ervan te coquetteeren.”

Maar ook de al te perfecte snelheid hoeft niet per se kleurrijk te zijn. Er is een haast visionair stukje van Schilperoort, eveneens uit 1914, waarin hij de „geruischloosheid van onze moderne wagens” betreurt. „Dan vinden we het te volmaakt worden. Dan zouden we haast weer ploeteren willen aan den weg, alleen om het genoegen van, na den tegenslag, de motor weer regelmatig z’n werk te hooren doen.”

Dan concludeert hij, ietwat pathetisch: „En dit is onze straf, ’n straf, als die van Prometheus, die den goden het vuur ontstal, en in eenzaamheid gekluisterd werd aan de rots: Dat we voortaan den langen weg, buiten door de velden zullen hebben af te leggen zonder z’n vriendelijk en krachtig gebrom (…) Dat we ons vervelen zullen!”

Scherp gezien wel. Perfect gestroomlijnde techniek verveelt. Een vlucht of een treinrit is inmiddels doodsaai. De verveling bestrijden we met de geijkte middelen als films, muziek, drank, boeken desnoods… alles om de aandacht maar weg te trekken van de weg zelf. Het is diametraal gekanteld: de snelheid is nu grijs, en onze trage, verhalende ervaringen geven kleur.

Wat belet ons om de reis zelf weer iets meer als een ervaring te gaan zien, de reistijd om te zetten naar Italiaanse minuten? Ik zeg niet dat dit moet. En misschien zit ik er wel helemaal naast. Misschien blijkt die magnetische hyperloop straks wel hyperschoon. Misschien gaan we snel transport dan wel net zo zien als snel internet.

Mij gaat het erom dat we noodgedwongen vertraging niet als een bedreiging ervaren, maar als een redding. De acceleratie dreigt ons weg te sleuren van de biologische tijd, van dag en nacht, van de seizoenen, naar een fonkelend, eeuwig pulserende informatiestroom zonder wrijving, maar daarom ook zonder echte betekenis, zonder zin.

Misschien is het daarom dat we artificiële obstakels opwerpen als we zinvolle ervaringen willen opdoen: fietsen tegen kanker, zwemmen tegen ALS, lijden om betekenis te ervaren in ons bestaan.

Lees ook: Maar hoelang duurt het…nu?

De muziek heeft van die mooie welluidende tempoaanduidingen, andante, vivace, allegro, enzovoorts. Daarvan staat min of meer vast met welk getal op de metronoom ze overeenkomen. Mijn absolute favoriet luidt: tempo giusto. Het juiste tempo. De grap is dat niemand precies weet welk metronoomgetal erbij hoort. Het zou overeenkomen met de menselijke hartslag, maar volgens sommigen was die vier eeuwen geleden langzamer dan nu.

Maar ook zonder die wetenschappelijke discussie vóél je in welk tempo die stukken gespeeld willen worden, zoals het ritme van, ik noem maar wat, de hypnotiserende zinnen uit The Waves van Virginia Woolf of die van Rituelen van Cees Nooteboom zichzelf hun eigen tempo opleggen.

‘Back in five minutes. (Italian minutes).’ Ik heb die hotelsleutel uiteindelijk in handen gekregen en misschien duurde het te lang. Maar ik kreeg er wel het besef bij van een andere tijdschaal, van de mogelijkheid om bij alles wat tijd kost te vragen: gaan we hier de economische minuten voor hanteren of de Italiaanse?