Opinie

Epos van Indonesië en Suriname, verhaal dat verteld moet worden

Post-koloniale tentoonstellingen

Commentaar

De groene zijden jurk, voorzien van een soort Indiaanse kralenversiering, die prinses Beatrix droeg in Paramaribo bij de Surinaamse onafhankelijkheidsceremonie in 1975, hoort bij de voorwerpen die sinds 5 oktober te zien zijn in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Daar vertellen Surinamers zelf het verhaal van hun land op de zogeheten Grote Suriname Tentoonstelling. Bij de opzet heeft de Nieuwe Kerk contact gezocht met „een heel leger aan Surinaamse adviseurs die feedback konden geven”. De gedachte is dat de expositie zo meer een „autobiografie” is dan een verhaal verteld vanuit een wit gezichtspunt. Dat klinkt modieuzer dan het is. Voor de expositie heeft de organisatie geput uit objecten die aanwezig zijn in tal van museale collecties in Nederland en Suriname. Het gaat er natuurlijk om: welk verhaal wordt er vervolgens met die spullen verteld.

De ambitie van de tentoonstelling is niet gering: de bedoeling is het hele ‘epos’ van Suriname vanaf het eerste Columbiaanse kleimasker tot nu te vertellen. Dat is gelukt. Met, natuurlijk, kleurrijke beelden, objecten, maar ook geluid van vogels en de stemmen van Surinamers.

En dat is nodig, want veel Nederlanders zijn slecht op de hoogte van dit deel van de geschiedenis. En dat is meer dan jammer, al was het maar omdat een aanzienlijk deel van de populatie van de vroegere kolonie na 1975 ervoor koos naar Nederland te komen. Met als gevolg dat velen innige persoonlijke betrekkingen onderhouden met dat land, ver weg in Latijns-Amerika.

Zeker in een periode als deze, waarin veel Nederlanders bezig zijn met vragen omtrent identiteit en historie, is deze expositie een goede manier om meer mensen kennis te laten maken met deze tropische erfenis, dan wel die kennismaking te hernieuwen aan de vooravond van de 45-jarige herdenking van de onafhankelijkheid.

Kennismaken met het andere deel van de koloniale erfenis, kan op de imposante foto-expositie Dossier Indië, samengesteld door acteur/fotograaf Thom Hoffman als gastconservator, die ongeveer gelijktijdig is geopend in het Nationaal Wereldmuseum in Rotterdam. Weer een poging ‘het complete verhaal’ te vertellen, dit keer door een persoon, Hoffman, die foto’s selecteerde vanuit een Indonesisch perspectief.

Het resultaat valt niet mee. De foto’s van de exploitatie door mijnbouw en houtkap, de ‘inlanders’ aanvankelijk altijd in een ondergeschikte rol. Beelden van geweld ook. Veel ervan was natuurlijk bekend, maar een chronologisch beeldverhaal van begin tot eind was er nog niet. Duidelijk wordt daardoor bijvoorbeeld nog meer dat die Indonesische onafhankelijkheidsdrang niet ineens in 1945 als product van de Japanse bezetting ontstond, maar al veel langer bestond als reactie op een kolonisator die gekomen was om rijkdommen te halen. Ook al werd die waarheid sinds de vorige eeuwwisseling verstopt onder een dun laagje vernis van ethische verheffing.

Beide exposities zijn communicerende vaten. Zoals ook blijkt uit de ‘expo’ waarin de Rotterdamse fotograaf Stacii Samidin, die wortels heeft in Suriname én in Indonesië, verder kijkt dan het jaar 1949.

Achter de warme verhalen over het kleurrijke verleden, zit zowel in Oost- als in West-Indië het Nederlandse systeem van exploitatie, repressie en racisme. Beelden worden gevuld met verhalen. Het verhaal bij de foto van het Javaanse meisje dat een kerf maakt in de rubberboom, ging tot nu toe altijd over de rubber en niet over het meisje. Die perspectivische wending is het belang van deze tentoonstellingen.

Correctie 15 oktober 2019: Aanvankelijk stond in de tekst dat de objecten voor 80 procent afkomstig waren uit het Tropenmuseum. Dat is hier hersteld.