Opinie

De kloof tussen stad en land groeit overal

Stad versus land: het was te zien bij de verkiezing van Donald Trump, bijna drie jaar geleden. Het was eveneens, iets eerder, waar te nemen bij het Britse Brexit-referendum. Eén blik op de landkaart was genoeg om het te zien, hetgeen overzichtelijk was omdat het om een eenduidige keuze ging. Democraat versus Republikein, remain of leave.

Chargerend mag worden gezegd dat het hier gaat om enerzijds onbekommerd kosmopolitisme in de steden, waar relatief veel mensen hoogopgeleid zijn en wel een stootje kunnen hebben. Daartegenover staat dan bezorgde behoudzucht in veel gebieden daarbuiten, waar de weerbaarheid tegen de invloeden van technologie en de krachten van de internationale economie een stuk minder is. Het is het verschil tussen de plekken waar het beleid wordt gemaakt en de toon van het culturele debat wordt gezet, en de plekken waar dat, met beduidend minder inspraak, maar moet worden geaccepteerd.

Hoe groter die kloof, hoe groter ook de kans op extremere politiek – van weerskanten, overigens. Het laatste voorbeeld is het pleidooi, dinsdag, van Kamerlid Jaco Geurts (CDA) voor meer ‘Hollands’ voedsel in het restaurant van de Tweede Kamer. Als voorbeeld voor de rest van het land. Steun voor de landbouwsector! Maar wat als dat buitenland dezelfde houding zou aannemen? Dan zou de Nederlandse landbouw die het overgrote deel zijn productie exporteert, nog raar opkijken. Toen Nederlandse groente bij de Duitsers twintig jaar geleden uit de gratie dreigde te raken (tomaten als Wasserbomben) zat de schrik er goed in.

Is de tegenstelling tussen stad en land ook groter geworden? Onderzoekers van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) stelden woensdag dat dit inderdaad het geval is. In economische zin, dan. Verschillen in welvaart zijn binnen landen vaak groter dan tussen landen, constateren zij. De welvaart, gemeten als het bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking, is in de Verenigde Staten 90 procent hoger dan die in Slowakije. Maar binnen de Verenigde Staten zelf is het verschil tussen de staat Mississippi en New York groter.

Voor industrielanden is de verhouding tussen de welvaart in de 10 procent binnenlandse gebieden met het laagste bbp per inwoner en de 10 procent met het hoogste gemiddeld 1,7. Italië (Trento versus Sicilië) heeft een ratio van 2, Japan slechts 1,35. Hoewel er voor Nederland nog geen IMF-cijfers zijn, geeft een snelle provinciale vergelijking aan dat we zo’n beetje bij het gemiddelde van 1,7 liggen.

De IMF-onderzoekers ontdekten dat de stad/landratio in industrielanden daalde van 1,9 vlak na de Tweede Wereldoorlog naar 1,55 eind jaren tachtig, om vervolgens weer fors toe te nemen naar de huidige 1,7. Het verschil tussen stad en land, ook in gezondheid en werkgelegenheid, is de afgelopen dertig jaar dus groter geworden.

Nu is dit soort berekeningen nooit onfeilbaar. Groningen lijkt bijvoorbeeld rijker dan het is, omdat de gasproductie daar wordt meegeteld. Flevoland lijkt juist armer dan in werkelijkheid, omdat men daar vaak woont maar in andere provincies werkt, met name Noord-Holland, en dáár dus aan de productie bijdraagt.

Maar toch: de rage van het internationale debat in de economische politiek is ‘inclusieve groei’. Iedereen hoort erbij, en moet betrokken blijven in de toenemende welvaart. Dat zou eveneens voor niet-stedelijke gebieden mogen gelden. Misschien dat het wederzijdse begrip er óók wel bij vaart.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.