Arie Visser uit Noord

Halte Poëzie

Regelmatig duikt hij op, Arie Visser – groot dichter, maar in de marge. In 1944 geboren in Sneek, in 1997, 52 jaar oud, gestorven in Noord.

Ik zie zijn schrale gestalte, zijn geprononceerde neus, zijn heldere ogen, zijn mond die verticaal opengaat als hij lacht. Ik hoor zijn iets slepende stem en zie zijn versleten winterjas, zijn schoenen en zijn pet.

In het eerste kwatrijn van ‘In memoriam’ uit Licht en Vuur, zijn zwanenzang uit 1996, zegt hij het zelf zo: ‘ik zie hem voor mijn ogen staan/ alsof hij nooit is weg geweest/ ik zie hem voor mij in de geest/ alsof hij nooit is weg gegaan’.

Als Arie Visser bij me langs kwam, wist ik waarvoor hij kwam, maar ik wist ook dat hij het ogenblik van aap en mouw zo lang mogelijk zou uitstellen en dat hij de vrijgekomen tijd zou vullen met verhalen, over Slauerhoff en Thelonious Monk, over Charlie Parker, Mandelstam of Lenny Tristano.

Pas op het allerlaatste ogenblik, je had de deur al in je hand om die achter hem te sluiten, vroeg hij of hij een geeltje lenen kon, waarna hij zich uit de voeten maakte.

Hij was altijd op zijn hoede, want je wist maar nooit wat het komende uur brengen zou, óf het wel iets brengen zou.

In Altijd onderweg uit 1976 schreef hij ‘Op weg// zwerver met vermoeide voeten/ en het hoofd in de wolken/ hoe wil je haar ontmoeten/ die je leegte kan bevolken’.

Naar Amsterdam-Noord rijden geen trams. Als ik naar hem toeging nam ik de pont naar het IJplein en liep dan langs het water naar zijn huis in de Ketelmakerij waar hij woonde met zijn geliefde. Die uit Marokko kwam. Met als gevolg dat hij moslim werd en zijn naam veranderde in Arie Omar Visser, om vervolgens in zijn rubriek ‘Arabia felix’ op de Achterpagina van deze krant antwoord te geven op de veel gestelde vraag: ‘Is Omar besneden?’

Hij zwierf veel door de stad, maar in zijn verzen is de stad vrijwel afwezig. In ‘The song of the city’ uit Virtuele beelden, zijn debuut uit 1973, schrijft hij: ‘de stad is een open wond’ – en dat is het wel zo’n beetje.

Het ging hem om andere zaken. Het vlak voor zijn dood voltooide en aan zijn zoon opgedragen ‘Evenwicht’ vat alles samen: ‘ik duw de schommel op en neer/ hij is volmaakt uit evenwicht// ik duw en duw hem heen en weer/ ik zie het licht in je gezicht’.

In zijn in memoriam-gedicht ‘Op het Zandpad’ schreef Remco Campert: ‘schrijver en vechter gesneuveld/ voor ik weet niet wat/ maar eervol op een eervol veld// in een sterke stilte’.

Guus Luijters schrijft wekelijks over de poëzie in de stad.