Opinie

Altijd op jacht naar ander werkschuw tuig

Floor Rusman

De reacties kun je van tevoren uittekenen. Gaan linkse activisten demonstreren, dan zijn ze „werkschuw”. Of „werkschuwe nietsnutten” zelfs, in de woorden van Wybren van Haga. Zijn tweet, ongeveer zijn eerste publieke uiting sinds hij wegens het schenden van integriteitsregels uit de VVD-fractie werd gezet, ging over de klimaatactivisten die maandag de Amsterdamse Stadhouderskade blokkeerden. Ook andere activismehaters merkten op dat de blokkeerders niet aan het werk waren. Geert Wilders had het over „werkloze klimaathippies”, Joost Niemöller twitterde bezorgd dat de Stadhouderskade „een doorgaansweg is voor de mensen die wel aan het werk moeten”, en Annabel Nanninga vroeg: „Ik was even werken, maar die bezetting van onze stad gaat ook in de avondspits door?”

De angst voor niet-werkende mensen gaat ver terug. In de eerste helft van de twintigste eeuw werd het woord ‘werkschuw’ vooral gebruikt in relatie tot werklozen. De grote vraag: maakte ‘de steun’ (de vooroorlogse sociale zekerheid) het niet te verleidelijk om werkloos te blijven, oftewel om werkschuw te zijn? Vanaf eind jaren zestig werd het een one-issue-woord: het bestond vooral in de vaste zinsnede ‘langharig werkschuw tuig’, bedoeld om linkse jongeren mee aan te duiden. Tegenwoordig duikt het met name op wanneer mensen demonstreren, vaak in combinatie met de aanbeveling: „Lange lat erover!”

Je vraagt je af: vanwaar die kwade reacties op mogelijke werkschuwheid? Hebben Nederlanders dan zo’n sterk arbeidsethos?

Het antwoord luidt: nee. Terwijl ik deze column schrijf (woensdagmiddag), klinkt op talloze kantoorvloeren de grap: „Zaagmans is langs geweest, de week is weer doormidden!” Het is de grap van mensen die de werkweek zien als een hindernisbaan op weg naar het weekend.

Daarvan zijn er in Nederland veel, als je naar de onderzoeken kijkt. Nederlanders zien werk weliswaar als een maatschappelijke plicht, maar niet als het belangrijkste in het leven, schreef het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vier jaar geleden. Maar liefst 84 procent vond dat er „belangrijker dingen” zijn.

Dat blijkt ook uit het rapport over de nationale identiteit dat het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in juni publiceerde. In een apart hoofdstuk kunnen we daar lezen hoe expats kijken naar de Nederlanders. Hun conclusie: Nederlanders zijn niet erg ambitieus. Ze hebben een ‘relaxte work-life balance’ (met andere woorden, om vijf uur laten ze alles uit hun handen vallen). „Ik denk dat dit het enige land is waar je work-life balance kunt noemen tijdens een sollicitatiegesprek”, zegt een van de geïnterviewden. Desondanks zijn Nederlanders niet erg ontspannen, merken de expats. Ze zeggen altijd dat ze ontzettend gestresst zijn, terwijl ze om vijf uur naar huis gaan om leuke dingen te doen, aldus een expat. „Hoe kun je daar nou gestresst van worden?”

De gebrekkige lust om te werken komt door de hoge bestaanszekerheid in Nederland, schreven twee sociologen in 2011. In een grafiek toonden zij het verband tussen bruto nationaal product en arbeidsethos: hoe hoger het eerste, hoe lager het tweede. Van alle onderzochte landen (heel Europa, Japan, de VS en Canada) had Nederland het laagste arbeidsethos. Geen wonder dat Nederland de meeste deeltijdwerkers van Europa heeft.

Kortom, bijna alle Nederlanders zijn in meer of mindere mate werkschuw. Misschien spieden ze daarom zo om zich heen op zoek naar mogelijke werkontduikers. Niemand heeft het recht zich te onttrekken aan het lot dat werken heet – en al helemaal niet met zo’n moreel superieur gezicht!

Floor Rusman is redacteur van NRC

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.