Recensie

Recensie Boeken

Aantrekkelijk voor links én rechts

Carl Schmitt Vijandschap is onvermijdelijk, aldus de omstreden Duitse staatsrechtgeleerde. Zijn provocerende ideeën over vriend- en vijandschap zijn volop in zwang.

Rechtse demonstranten in Chemnitz, 27 augustus 2018.
Rechtse demonstranten in Chemnitz, 27 augustus 2018. Foto Filip Singer/EPA

In 2016 verscheen The Oxford Handbook of Carl Schmitt, met op het omslag niet een portret van Schmitt (1888-1985) maar een foto van het uitgebrande Rijksdaggebouw in 1945. De combinatie geeft goed de situatie weer waarin deze omstreden Duitse staatsrechtsgeleerde zich tegenwoordig bevindt: ondanks zijn nazi-engagement wordt hij overal gelezen en bestudeerd. Blijkbaar heeft hij de wereld nog zoveel te bieden dat men zijn houding tussen 1933-1945 door de vingers ziet, al wordt er wel altijd naar verwezen.

Zelfs in China schijnt sinds het begin van deze eeuw een ware Schmitt-mode te zijn losgebarsten. Onder academici, wel te verstaan. Schmitt is geen auteur voor de massa, hoewel hij even scherp als helder argumenteert en voor een geleerde jurist verbluffend leesbaar is gebleven. Juristenproza is gewoonlijk voor een leek niet om door te komen, maar Schmitts prikkelende, soms ronduit provocerende formuleringen lees je voor je genoegen. Dat verklaart mede de blijvende belangstelling voor zijn werk, naast – uiteraard – wát hij te zeggen heeft.

De beste introductie tot zijn denken is nog altijd Der Begriff des Politischen, oorspronkelijk een artikel uit 1927, dat gewoonlijk wordt gelezen in de langere – als boek gepubliceerde – versie uit 1932. Het is voor zover ik weet het enige geschrift van Schmitt dat in het Nederlands is vertaald. Die vertaling verscheen in 2001 en is nu herdrukt met enkele aanvullingen en een nieuw, wederom voortreffelijk nawoord van Theo de Wit, een van de weinige Nederlandse Schmitt-kenners. Goed dat deze cruciale tekst, waaraan Arnon Grunberg onlangs nog een interessante beschouwing wijdde, weer moeiteloos toegankelijk is voor de Nederlandse lezer.

In 2001 kwam de vertaling precies op het juiste moment. Volgens Schmitt heeft ‘het politieke’ namelijk alles te maken met het onderscheiden van vriend en vijand, en in het jaar van 9/11 had zich voor het eerst sinds ruim een decennium weer een heuse vijand van het Westen gemeld. Bij nader inzien bleek toch niet iedereen even enthousiast over de combinatie van kapitalisme en liberale democratie, die na de val van de Muur wereldwijd vrede, voorspoed en vrijheid beloofde.

Recht en staat

Ook bij Schmitt komen we in 1932 niet veel geestdrift tegen voor deze zaken. Als katholieke conservatief ging zijn hart uit naar een sterke staat zoals de absolute monarchie van de zeventiende en achttiende eeuw. Als realist wist hij dat de tijd van zulke monarchieën voorbij was. In de twintigste eeuw domineerde een democratisch liberalisme dat staat en recht het liefst had gereduceerd tot een mechanisch ‘bedrijf’ ten gunste van het individu. Hiertegen bracht Schmitt zijn definitie van ‘het politieke’ in stelling. Volgens hem gingen recht en politiek nooit vanzelf, maar vereisten ze een soevereine, in wezen op niets berustende ‘beslissing’ die telkens weer een inbreuk betekende op de bedrijfsmatige legaliteit.

Om dit duidelijk te maken ging Schmitt uit van wat hij het ‘Ernstfall’ noemde, het ‘moment van de waarheid’ ofwel de mogelijkheid van oorlog die nooit mocht worden uitgesloten. Vandaar dat het politieke voor hem bestond uit het onderscheiden van vriend en vijand, inherent aan elke oorlog.

In 1927 ging het hem nog allereerst om een buitenlandse oorlog, in 1932 kwam ook de burgeroorlog als mogelijkheid in zicht. Het politieke vatte hij nu niet meer op als een autonoom gebied, maar als een intensivering van onverschillig welke tegenstelling tot het punt waarop men bereid was elkaar naar het leven te staan. In de nadagen van de Weimarrepubliek leek dat punt heel nabij. Schmitt verdedigde toen het zogenaamde ‘Präsidialsystem’, waarbij de rijkspresident quasi-dictatoriaal regeerde via noodverordeningen. Hoewel dit ‘systeem’ tegen de nazi’s was gericht, maakte zijn verlangen naar orde (nog afgezien van persoonlijke ambitie en antisemitisme) het hem niet al te moeilijk om in 1933 over te stappen naar Hitler. Alles beter dan burgeroorlog.

Altijd vijandschap

Voor Schmitt was het politieke onontkoombaar, omdat er bij de zondige mensheid altijd vijandschap zou bestaan. De politiek was er om dit gegeven in ordelijke banen te leiden. Het roekeloos optimistische liberalisme bracht deze constellatie in gevaar, en werd daarom Schmitts grootste vijand. Aangezien het liberalisme met zijn dromen van menselijke eenwording (‘kosmopolitisme’) nooit is verdwenen, wordt nu misschien duidelijk welke attracties Schmitts denken nog altijd bevat, zowel voor links als voor rechts. Rechts vindt bij hem argumenten voor de noodzaak van een sterke staat, gedragen door een homogene en illiberale democratie; links kan bij hem horen dat achter al het liberale humanitarisme in werkelijkheid een veel minder humaan machtsstreven schuil gaat. Of men grijpt, zoals de filosofen Agamben en Mbembe dat doen, Schmitts notie van de ‘uitzonderingstoestand’ (een variant van het ‘Ernstfall’) aan om de rechteloosheid van vluchtelingen, illegalen en terreurverdachten uit te vergroten tot het ware gezicht van het huidige Westen.

Daarnaast vinden we bij Schmitt even lastige als pertinente vragen over de mogelijkheid en wenselijkheid van menselijke eenwording. Als vijandschap onuitroeibaar is, kan de mensheid nooit één worden, tenzij de vijand een ‘onmenselijke’ status zou krijgen – met gruwelijke consequenties voor de manier waarop hij bestreden zal worden. Voor Schmitt is de wereld dan ook geen ‘universum’, maar een ‘pluriversum’ van op zichzelf staande naties en staten – of ‘Grossräume’, zoals hij het na 1936 zou noemen, quasi-imperiale invloedssferen die de wereld onder elkaar hebben verdeeld.

Het zou mij niet verbazen als juist deze ideeën het goed doen in het China van Xi Jinping, naast uiteraard Schmitts opvatting van een sterke staat die wel een democratie is, maar breekt met liberale eigenaardigheden als een parlement, machtenscheiding en mensenrechten. Wat zich bij mijn weten nog niet heeft aangediend, is een eco-partij die het gedachtegoed van Schmitt omarmt om te pleiten voor een dictatoriale wereldstaat ter bestrijding van de ene vijand van de hele mensheid die klimaatverandering heet. Iets wat concreet (en Schmitt denkt bij voorkeur concreet) zou neerkomen op een meedogenloze strijd tegen iedereen die zich op dit punt nog enige scepsis waagt te veroorloven. Maar wie weet wat er gebeurt, als de temperatuur nog verder oploopt. Misschien komt deze herdruk van Het begrip politiek wel op precies het juiste moment.