Opinie

Sprekend over een gouden eeuw van de islam

Paul Scheffer

Onlangs liep ik door het Alhambra in Granada. In dit hoogtepunt van islamitische bouwkunst werden we rondgeleid door de kunsthistoricus José Miguel Puerta Vílchez. Hij heeft uitvoerig geschreven over de duizenden inscripties die de muren verfraaien. Volgens hem is het Alhambra een bouwwerk en een boek ineen.

Terloops vertelde Vílchez dat het Alhambra is gebouwd met hulp van christelijke slaven. Het paleis van Karel V – dat na de Reconquista door de katholieke vorsten middenin het complex is neergezet – werd op zijn beurt gebouwd door moslimslaven. Anders gezegd: ook dit hoogtepunt van beschaving is gebouwd op een fundament van onderdrukking.

In alle verhitte discussies over het afschaffen van de term ‘Gouden Eeuw’ wordt niet vaak verwezen naar het gebruik van vergelijkbare termen in een andere historische context. Toch is het gebruikelijk om naar Al-Andalus – het deel van Spanje dat tot 1492 door moslims werd geregeerd – te verwijzen als onderdeel van een ‘gouden tijd’ van de islam.

De christelijke beschaving bleef daar duidelijk bij achter. Al in zijn klassieker Het land van Rembrand (1882) oordeelt Conrad Busken Huet hard over de cultuur van de kruisvaarders: „Aan geen andere bouwkunstige vormen gewoon dan de lompe of armoedige der abdijen Bloemhof en Rozeveld, vervult hen de Moorse architectuur met een bewondering die zij onder woorden zouden willen brengen.”

Maar daar zijn ze volgens hem niet toe in staat: „Doch zij zijn nog te zeer bosjesmannen van het Noorden om te kunnen eerbiedigen hetgeen zij niet begrijpen. Hun christendom en hun rassenhaat doen hen in de kunstgewrochten der mohammedanen werken van de Boze zien [...] Hoe meer zij aan gruis te slaan, te kappen en te kapen vinden, des te vromer vereerders der Maagd Maria voelen zij zich.” Die „rassenhaat” stond Busken Huet dus al helder voor de geest aan het eind van de negentiende eeuw.

Het valt me sowieso op dat vroeger wel vaker kritisch over het verleden werd gesproken dan we nu geneigd zijn te denken. Neem de Vaderlandsche Geschiedenis (1927) van E. Molt. Er valt op dat populaire boek natuurlijk veel af te dingen, maar om nu te denken dat over de koloniale tijd enkel een lofzang wordt aangeheven, nee, dat klopt toch niet.

Zo lezen we over de Oostindische Compagnie: „Het leed, de inlanders toegebracht door de hebzucht van de westerling, werd in hoge mate verhoogd door het slechte gehalte van hen, die als fortuinzoekers het Oosten bezochten.” Deze troepen traden op „tegen het verdoold en goddeloos ras, waarvoor ze de inlanders aanzagen, met al de tirannie van lieden, die door winzucht als door een ijlende koorts waren aangegrepen”.

De ‘Gouden Eeuw’ van historicus Molt was geen eenduidig verhaal. Zo zijn er meer voorbeelden van vroegere geschiedschrijving waaruit blijkt dat niet alles goud was wat er blonk in de zeventiende eeuw. Er is beeldvorming, maar ook zoiets als beeldvorming over die beeldvorming. De stelling dat nog maar kort geleden het verleden werd verheerlijkt is nogal oppervlakkig.

Zo concludeerde Molt: „Wel mag men zeggen, dat er bloed en tranen kleefden aan de kapitalen, die Amsterdam maakten tot een parel onder Europa’s hoofdsteden, die de Nederlandse groothandelaar een macht en aanzien schonken, groter dan waarover menig vorst had te beschikken.” Dat bloed en die tranen waren al een eeuw geleden zichtbaar.

Al dwalend door de schitterende zalen van het Alhambra vroeg ik me af of degenen die er zo op gebrand zijn de term ‘Gouden Eeuw’ uit te bannen, ook niet meer zouden willen spreken over Al-Andalus als een gouden tijd van de islam. Hoe vaak is niet naar deze periode verwezen als een toonbeeld van samenleven van moslims, christenen en joden – ook al weten we bijvoorbeeld van de pogrom tegen Joden in 1066?

Het is onmiskenbaar: gemeten aan deze tijd was zowel de tolerantie in Granada als die in Amsterdam beperkt. In onze Gouden Eeuw konden joden niet met christenen trouwen en waren katholieken tweederangsburgers die in schuilkerken hun geloof moesten belijden. Toch gold de Republiek als een eiland van tolerantie in een zee van absolutisme.

Het is goed dat we de slavernij boekstaven en bespreken. En het is goed dat de koloniale tijd meer aandacht krijgt in het onderwijs. Maar om met terugwerkende kracht deze eeuwen te meten aan de maatstaven van nu loopt al snel uit op de ontkenning van de vooruitgang waar zowel Granada als Amsterdam symbolen van zijn. Het moet mogelijk zijn om waardering en kritiek bijeen te brengen – ook als we het over de gouden eeuw van een beschaving hebben.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.