Foto Merlijn Doomernik

Kunstenaar Patricia Kaersenhout: ‘Het enige wat ik wil, is het verhaal iets completer maken’

Interview ‘The Dinner Party’ is een iconisch kunstwerk, maar niet erg inclusief. Patricia Kaersenhout maakte een eigen versie. „We moeten andere vragen stellen.”

Het is misschien wel het beroemdste kunstwerk uit de feministische kunstgeschiedenis, de installatie The Dinner Party (1979) van de Amerikaanse Judy Chicago, die permanent staat opgesteld in het Brooklyn Museum in New York. De driehoekige tafel is gedekt met 39 porseleinen borden, speciaal gemaakt voor historische en mythische vrouwen als Sappho, Hatshepsut, Virginia Woolf en Georgia O’Keeffe. Het kunstwerk is een indrukwekkende ode aan vrouwelijke helden die een belangrijke rol hebben gespeeld in de geschiedenis, maar nooit zo beroemd zijn geworden als hun mannelijke collega’s.

„Het is een iconisch kunstwerk”, geeft ook Patricia Kaersenhout (1966), beeldend kunstenaar en activist, direct toe. „Ik heb veel bewondering voor Judy Chicago, als kunstenaar en als feminist. Maar ik vind ook dat haar keuze te veel vanuit een westerse, witte, hetero-feministische blik is gemaakt. De enige zwarte vrouw op The Dinner Party is Sojourner Truth, een vrije tot slaaf gemaakte die als eerste zwarte vrouw het Amerikaanse Congres heeft toegesproken. Verder zit er nog een inheemse Amerikaanse aan tafel en een Egyptische godin, maar bijvoorbeeld geen enkele Latina-vrouw.”

Voor haar tentoonstelling Guess Who’s Coming To Dinner Too in De Appel in Amsterdam heeft Kaersenhout, die zelf Surinaamse roots heeft, daarom haar eigen versie, een aanvulling op The Dinner Party gemaakt. Aan haar tafel zitten louter zwarte vrouwen en vrouwen van kleur. „Mijn werk is geen kritiek op Chicago’s tafel”, haast Kaersenhout zich te zeggen. „Het enige wat ik wil, is het verhaal iets completer maken. Als je vanuit één beperkte blik naar de wereld kijkt, is dat niet zo gezond.”

We spreken elkaar in een glasblazerij in Zaanstad, Vrij Glas, waar medewerkers de extreme hitte van de ovens trotseren en met de hand het glaswerk voor Kaersenhouts tafel aan het blazen zijn.

Patricia Kaersenhout Guess Who’s Coming To Dinner Too, 2019. (Detail)
Foto Aatjan Renders
Patricia Kaersenhout Guess Who’s Coming To Dinner Too, 2019. (Detail)
Foto Aatjan Renders

In tegenstelling tot Judy Chicago heeft Kaersenhout ook hedendaagse heldinnen als de Amerikaanse Ruby Bridges en de Tunesische activiste Amina Tyler uitgenodigd aan haar tafel. Ook voegde ze twee transgender activisten toe, de New Yorkse Marsha P. Johnson en Sylvia Rivera. „Zodat het echt een inclusieve tafel wordt.”

Hoe is het idee voor dit kunstwerk ontstaan?

„In 2015 deed ik voor het CBK Zuidoost een project, Rebelse Trots, waarvoor ik onderzoek had gedaan naar een groep zwarte feministen die in de jaren tachtig heel actief waren in Nederland onder de naam Flamboyant. Ze onderscheidden zich van witte feministen omdat ze vaak een migrantenachtergrond hadden. Hun problematiek was ook anders. Ze hadden met racisme en uitsluiting te maken, met economische achterstand.

„Ik heb een aantal van die vrouwen opgespoord en gevraagd of ik ze mocht portretteren. De meesten vonden het geweldig dat er een herwaardering kwam voor al het werk dat ze gedaan hadden. Ik vond het belangrijk dat een jongere generatie activisten van deze vrouwen zou horen. Zodat je weet: je staat op de schouders van anderen. Ik merkte dat veel vrouwen nooit van hen gehoord hadden – ik ook niet. Terwijl ik in diezelfde jaren tachtig ook feminist was toen ik studeerde in Amsterdam. Ik sloot me aan bij het Vrouwenhuis aan de Nieuwe Herengracht, maar voelde me daar niet erg thuis. 25 jaar later hoorde ik dat deze zwarte vrouwen in hetzelfde pand zaten, maar op een andere verdieping. Ik ben ze gewoon misgelopen. Toen dacht ik: ik moet mezelf een herkansing geven. Het resultaat was een korte film en een serie geborduurde portretten van deze vrouwen. Zo kwam ik op het werk van Judy Chicago en ging ik daarover lezen.”

Hoe heb je de selectie voor de zetels gemaakt?

„Ik heb gekeken naar zoveel mogelijk regio’s in de wereld. Er zitten vrouwen uit Indonesië en Tasmanië aan tafel, uit Mexico en Cuba, uit Angola en Oeganda. Ik heb gezocht naar vrouwen die niet zo bekend waren. Er zitten bewust niet te veel Afro-Amerikaanse vrouwen tussen, omdat die best prominent aanwezig zijn binnen de zwarte geschiedenis.

„De periode die het kunstwerk bestrijkt is zo’n tweeduizend jaar. Zo wil ik laten zien dat er een lange geschiedenis is van vrouwenstrijd en vrouwelijke spiritualiteit. Ik heb mij in mijn werk altijd beziggehouden met ‘erased histories’, met mensen die uit de geschiedenis gegumd zijn. Soms ook letterlijk: vrouwen wier lichamen vernietigd of weggevaagd zijn zodat ze geen martelaar of heldin konden worden. Dit is mijn manier om die vrouwen hun waardigheid terug te geven. Een van hen is Josephine Bakhita, een tot slaaf gemaakte vrouw uit Soedan, die werd meegenomen naar Italië, waar ze zich bekeerde tot het katholicisme. In de jaren zestig is ze heiligverklaard, maar niemand kent haar nog.”

Hoe geef je hun plek aan de tafel vorm?

„Ik heb voor iedere vrouw een tafelloper ontworpen. Daarop heb ik Adinkra-symbolen gedrukt, uit West-Afrika, die allemaal een betekenis hebben, een levenswijsheid of karaktereigenschap. Die lopers zijn in de afgelopen maanden door verschillende groepen geborduurd. Zo heb ik de lappen meegenomen naar West-Afrika, om ze daar door lokale vrouwen te laten borduren. Voor een deel om ze economisch te ondersteunen en zo te voorkomen dat ze in de prostitutie belanden.”

‘Nu heeft iedereen het over ‘dekolonisatie’, maar straks gaan we naar het volgende’

Dit kunstwerk is ook een sociaal project?

„Zeker. Ik heb ook gewerkt met vrouwen uit Bos en Lommer in Amsterdam, destijds een van de armste buurten van Nederland. Armoede zorgt voor isolement. Dus heb ik geprobeerd zoveel mogelijk groepen vrouwen bij elkaar te brengen en samen te laten borduren. Ik vroeg ze dan: weet je wie je aan het inborduren bent? Zo ontstonden er mooie gesprekken. De stoffen zijn door vele handen gegaan, van migranten en vluchtelingen, slachtoffers van huiselijk geweld. In juni hadden we een ‘stitch in’ waarbij Emory Douglas van de Black Panthers aanwezig was. Hij heeft de eerste steek in de lopers van Johnson en Rivera gezet. Zo zit een enorme energie van verbinding in de tafel.”

Er lijkt onder jongeren een hernieuwde aandacht te zijn voor zwart feminisme. Deel jij dat gevoel?

„Wat ik interessant vind aan deze tijd, is dat er nu veel kritische jonge activisten zijn die zich nog bewust zijn van hun migrantenachtergrond maar ook een hele duidelijke voet in Nederland hebben. Ik hoop alleen dat de aandacht voor het onderwerp in de culturele sector geen modeverschijnsel is. Nu heeft iedereen het over ‘dekolonisatie’, alle musea zijn ermee bezig. Er is discussie over termen als Gouden Eeuw – wat ik echt heel goed vind, heel woke. Maar straks doet men die neo-liberale jas weer uit en gaan men naar het volgende modeverschijnsel waar ook geld mee te verdienen valt.

„Wat we niet moeten vergeten is dat als je als witte samenleving wilt dat er iets verandert, je ook het lef moet hebben om offers te brengen. Als dezelfde mensen altijd in dezelfde machtspositie blijven zitten en dat ook van generatie op generatie doorgeven, dan duurt het nog eeuwen. We kunnen niet van zwarte mensen verwachten dat zij voortdurend alles op tafel brengen. Witte mensen moeten ook het werk gaan doen. Het is belangrijk om jezelf te vragen: wat ben jij bereid te doen? We moeten leren om andere vragen te stellen. Als je de hele tijd vanuit je eigen perspectief dezelfde vragen blijft stellen, zullen mensen ook dezelfde antwoorden geven.”

Patricia Kaersenhout Guess Who’s Coming To Dinner Too, 2019. (Detail)
Foto Aatjan Renders
Patricia Kaersenhout Guess Who’s Coming To Dinner Too, 2019. (Detail)
Foto Aatjan Renders

Zie je op dat gebied ook veranderingen bij musea?

„Veel musea zeggen: ja, we willen graag een zwarte curator, maar we vinden hem niet. Je moet je voorstellen wat het betekent om als enige zwarte persoon in een witte organisatie te werken. Dan loop je voortdurend op je tenen. Dus daar moet je over nadenken. Dat betekent ook dat als je inclusief wilt zijn, je niet alleen een zwart iemand moet aannemen, maar ook moet nadenken over: wie ben jij als mens en wat kan je doen om je organisatie diverser te maken. Hoe zitten de machtsstructuren van je organisatie in elkaar en hoe is dat zo gekomen? Pas als je begrijpt waarom, kun je beginnen met na te denken hoe het te veranderen.

„Het proces van dekoloniseren is pijnlijk voor wie het aangaat. En die pijn heeft niets met huidskleur te maken. Of alles. Want het geldt namelijk voor iedereen. We zitten allemaal gevangen in hetzelfde systeem, alleen profiteert de een er meer van dan de ander. ”

Helpt het dan om begrippen als slaaf of Gouden Eeuw overboord te gooien?

„Ja, taal is ontzettend belangrijk. Taal beweegt mee met de samenleving. Zoals het n-woord nu echt not done is. Omdat de samenleving aan het veranderen is. En dat is goed. Taal moet meebewegen.”

Wat hoop je dat je met deze tentoonstelling kunt bereiken?

„Ik hoop dat de Nederlandse canon ten aanzien van geschiedenis verandert. Dat die vollediger wordt en inclusiever. Er wordt nog steeds het meest over witte mannen geschreven, ze staan nog steeds op sokkels en zitten op paarden. Ook hoop ik dat het werk aanzet tot discussie. Niet een dialoog waarin we de consensus zoeken, maar een dialoog waarin we niet bang zijn voor het ongemak. Omdat juist het ongemak maakt dat we verder kunnen komen. Zwarte feministen in de jaren tachtig zeiden: zonder wrijving geen glans. Het moet schuren. We moeten over ras praten en we moeten over ongelijkheid praten. We moeten begrijpen waarom vluchtelingen naar Europa komen, omdat Europa daar mede verantwoordelijk voor is. Wij leven hier in behoorlijke luxe, maar daar moeten heel veel mensen voor lijden. En daar moeten we ons bewust van zijn.”