Onbekend rouwgedicht van Vondel uit 1667 gevonden, voor achtjarig meisje

Literatuur Historicus Vincent Klooster vond een tot nu toe onbekend gedicht van Joost van den Vondel in een familiearchief. Vondel schreef het gedicht op 17 maart 1667.

Pagina van het recent ontdekte gedicht van Joost van den Vondel.
Pagina van het recent ontdekte gedicht van Joost van den Vondel. Foto Koninklijke Bibliotheek Nederland

O wintervlaegh des doots, wie waent / dat ghij in ’t hart van lentemaendt, / een jonge spruit in haer verheffen, / met sulck een fellen slagh soudt treffen?

Deze regels vormen samen de eerste strofe van Joost van den Vondels ‘Uitvaert’, een gedicht bij de dood van Geertruidt Hinloopen Vermaes dat tot nu toe onbekend was. Historicus Vincent Klooster vond het terug in de archieven van de familie Cazius. In het laatste nummer van Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, dat dinsdag verscheen, is het hele gedicht afgedrukt en wordt het geduid door Klooster en Ad Leerintveld, oud-conservator handschriften van de Koninklijke Bibliotheek.

Vondel schreef het gedicht op 17 maart 1667. Met de familie Hinloopen had hij zijn hele leven een goed contact en ze steunden hem ook financieel. Hij maakte bruiloftsgedichten en andere opdrachten voor ze. Het gedicht ‘Uitvaert’ schreef hij voor de achtjarige Geertruidt, die getroffen wordt door een ‘fellen slagh’.

Deze woorden gebruikte hij ook voor het gedicht dat hij schreef nadat zijn eigen achtjarige dochter was overleden (‘Uitvaert van mijn dochterken’). Dat deed hij in 1633, een jaar nadat hij een van de bekendste gedichten over de dood van een kind had gemaakt ‘Kinderlijck’ – over zijn zoontje Constantijn dat nog voor zijn eerste levensjaar stierf.

Bij de dood van Geertruidt richt Vondel zich rechtstreeks tot haar moeder: ‘Bedruckte moeder, troost u dan / dat uwen vrucht bij haer genan / in glori leeft, gelijck herboren. / Sij volght de maet der englekooren.