Globale specificatie volstaat

Economie & recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal: Europees recht.

Foto Getty Images/ Marek Slusarcyzk

Gyuala Kiss sloot in 2005 bij de Hongaarse CIB Bank een lening van 16.451 euro af met een looptijd van twintig jaar tegen 5,4 procent rente en 2,4 procent beheerskosten per jaar. Ook moest hij een uitbetalingsprovisie van 40.000 Hongaarse forint (125 euro) betalen. Bij nader inzien vond hij de beheerskosten en de uitkeringsprovisie oneerlijk, omdat niet was gespecificeerd welke diensten als tegenprestatie werden verricht. In hoger beroep legde de Kúria, de hoogste rechterlijke instantie in Hongarije, de bezwaren van Kiss voor aan het Europees Hof: in hoeverre moeten banken in de EU specificeren welke diensten in ruil voor bedongen kosten worden verricht?

Het Hof beklemtoonde in zijn beslissing van vorige week dat een leningsovereenkomst in de allereerste plaats voor de kredietnemer „duidelijk en begrijpelijk” geformuleerd moet zijn. Ook is het volgens het Hof van belang dat uit de overeenkomst valt op de maken wat de aard is van de daadwerkelijk verrichte diensten. Bovendien moet de kredietnemer kunnen vaststellen dat er geen overlap is van kosten of van diensten die door die kosten worden vergoed. Maar tot een precieze en gedetailleerde specificatie van diensten en bijbehorende kosten is de kredietgever in Europa niet verplicht.

Uitspraak: ECLI:EU:C:2019:820