Gezocht: ombudsman Volkskrant met ‘geschikt karakter’

Nieuwsmedia Wat doe ik er nog toe? Tot die existentiële vraag kwam de ombudsman van de Volkskrant in zijn ontslagbrief. Met die twijfel provoceerde hij ook vakgenoten.

Jean-Pierre Geelen: „Veel lezers zitten niet te wachten op de waarheid.”
Jean-Pierre Geelen: „Veel lezers zitten niet te wachten op de waarheid.” Foto Tessa Posthuma de Boer/Lumen

„Het kan volgende week verschrikkelijk misgaan bij de Volkskrant.” Nogal een alarmerende stelling voor iemand die daar sinds 2001 werkt, maar zo zijn die woorden niet bedoeld. Jean-Pierre Geelen (55) wil er alleen mee zeggen dat hij als ombudsman nauwelijks invloed had op de beroepsethiek en de kwaliteit van de kopijstroom. En dat de aanwezigheid van een interne waakhond de kans op bedrijfsongevallen niet drastisch doet afnemen. Met zijn wekelijkse rubriek zou hij maar achter de feiten – lees: #ophef op sociale media – aanlopen. Een beschouwend nawoord, geen vonnis dat zijn collega’s bij de les hield.

‘Mijn (eventuele) opvolger wens ik veel wijsheid. En een geschikt karakter’, schreef Geelen in zijn afscheidsstuk op 17 augustus. ‘Eventueel’ tussen haakjes, omdat hij meent dat ‘het instituut ombudsman zijn tijd heeft gehad’. Daags erna nam zijn hoofdredacteur afstand van een columnist, die boos de eer aan zichzelf hield. Ophef alom. „Waar is de ombudsman nu we hem nodig hebben?!”, klonk het op Facebook – in dit geval een reactie van Sjoerd de Jong, de ombudsman van NRC.

Daar liet De Jong het niet bij. Argus, een krantje van gepensioneerde journalisten, organiseerde ondertussen een debat over het functioneren van ‘de beklagenswaardigde figuur’. Omdat De Jong daar niet bij aanwezig kon zijn, schreef hij tevoren een stuk voor het blad. „De traagheid die Geelen betreurt is geen nadeel, maar een voordeel”, schreef De Jong, die het kwalijk vindt dat Geelen behalve zichzelf ook maar meteen andere ombudsmannen de wacht aanzegde. „Ook al zet de verbale mitrailleur van Twitter de toon, een bezonken oordeel vergt tijd. Trouwens, een ombudsman doet veel meer, zoals het afhandelen van klachten, het actualiseren van het stijlboek, interne ruggespraak en soms huisbezoek bij klagers.” Over Geelens nieuwe functie als columnist, waarin vooral andere media het te verduren krijgen, schrijft De Jong: „Geestig dat de geprangde ombudsman als bij toverslag veranderde in een leeuw achter het toetsenbord.”

Geen reputatiemanager

In een café in Den Haag vertelt Geelen hoe dat artikel bij hem binnenkwam. „Ik moest gniffelen”, zegt hij. „Allereerst door de elegante manier van formuleren, maar ook omdat Sjoerd niet wil inzien dat het instituut stamt uit de jaren negentig, toen lezers hun brieven nog met de hand schreven. Redacties stelden de ombudsfunctie in, omdat ze merkten dat de kritiek op hun functioneren toenam. Een kwart eeuw verder, heb ik niet de indruk dat de kritiek is afgenomen. Integendeel.” Natuurlijk, haast hij zich te zeggen; toen was er geen Facebook of Twitter. Maar ook als je alleen al naar de e-mails van abonnees kijkt, moet je volgens hem concluderen dat een wekelijkse bespreking van klachten de lezer niet milder heeft gestemd. Hij prijst de hoofdredacteur die bij aanzwellende kritiek gaat bloggen. Maar de argwaan zal er niet minder om worden, denkt hij.

Klagende lezers zijn dus over het algemeen niet voor rede vatbaar? Zo boud zal hij het nooit stellen, maar dit wil Geelen er wel over kwijt: „Eén van de vervelendste verwijten vond ik dat de ombudsman een reputatiemanager is die de lezer halfslachtig gelijk geeft. Zo waren mijn stukken niet bedoeld. Veel lezers zitten blijkbaar niet te wachten op de waarheid. Ze wilden liever een hard, negatief oordeel. Dan zouden ze lekker gelijk krijgen. Maar zo zit de werkelijkheid niet in elkaar. Dus ja, ik had vrij zelden het idee dat ik erin geslaagd was de lezer echt iets duidelijk te maken. Weinig klagers zeiden na mijn oordeel: goh, nu snap ik hoe zoiets gekomen is.”

Beklagenswaardigde figuur

Hoe klein de wereld van mediaombudsmannen is, bleek bij het Argus-debat in Pakhuis de Zwijger. Daar waren ze op 23 september bijna allemaal, en op één hand te tellen. Naast Geelen, waren de scheidend ombudsman van Trouw (Adri Vermaat) en die van De Limburger (Huub Evers) present. Ook Margo Smit voor de publieke omroep (de term ombudsman is genderneutraal). Statutair bleken er grote verschillen. Zo is media-ethicus Evers het onafhankelijkst, maar op de redactie komt hij zelden. Hij heeft geen toegang tot lezerspost en put dus uit gepubliceerde brieven. Zijn rubriek over wat hem opviel, cc’t hij naar de hoofdredacteur. Die belt dan soms vóór publicatie. Bijvoorbeeld met de mededeling dat de verslaggever al met een bloemetje is langs geweest bij de klager.

Adri Vermaat voegde zich bij Geelen: hij maakt zich geen illusies dat hij van Trouw een betere krant heeft gemaakt. „De realiteit leert dat journalistieke inschattingsfouten niet zijn te voorkomen”, schreef hij eerder. „Dat geldt wel voor journalistieke slordigheden.”

Margo Smit liet weten dat zij vooral nagaat hoe in opspraak geraakte programma’s zijn gemaakt. „Maar over Boer zoekt Vrouw ga ik niet, alleen journalistieke rubrieken.” Dankzij Ton Elias, oud-Tweede Kamerlid voor de VVD, staat haar functie in de Mediawet. „Als ik vertrek, moet er dus iemand in mijn plaats komen.”

Vreemde eend in de bijt was Ronald Ockhuysen, die werd aangekondigd als hoofdredacteur van Het Parool én ombudsman. Grapje natuurlijk, maar hij zei wel: „Ombudsman en hoofdredacteur dienen dezelfde belangen.” Hij staat regelmatig klagers te woord, zelfs criminelen die hun naam uit het archief willen omdat ze hun leven gebeterd hebben.

Van De Telegraaf was er niemand. Die krant heeft geen ombudsman. Mocht die functie wel geschapen worden, zo laat Geelen weten, dan zou hij daar graag op solliciteren. „Dan kun je lachen.” Over het algemeen zijn het de ‘keurige’ media die ombudsmannen hebben, licht hij toe, terwijl de rouwdouwers ze het meest nodig hebben. In zijn nieuwe rol als columnist mag hij De Telegraaf graag klop geven. „De koekenbakkers van de Basisweg hadden de banketletters weer uit de oven gehaald”, schrijft hij dan bijvoorbeeld. Het valt hem op hoe redacteuren aldaar dan als door een wesp gestoken reageren.

Bestraffend toespreken

Maar wat bedoelde Geelen nou met ‘geschikt karakter’? „Een verre voorganger leek er lol in te hebben om collega’s bestraffend toe te spreken”, zegt hij. „Nou mag je niemand enige arbeidsvreugde ontzeggen, maar dat is toch merkwaardig. Zo bekeken heb ik niet het juiste karakter voor deze baan. Ik werk bij deze krant uit liefde. De meeste collega’s vind ik aardig. Dan is het lastig om te doen alsof je die kritische buitenstaander bent. Mijn hoofdredacteur is mijn baas en mijn collega’s zijn mijn collega’s.”

Wat ook niet helpt, zegt Geelen, is dat hij als ervaren journalist begrijpt hoe dingen fout kunnen lopen. „Zeker als iemand het me even uitlegt: van nou ja, het was zondagavond, er was niemand op de eindredactie, en toen stond het ineens zo op de site.” Ongelukkige kop hier, suggestieve foto daar: journalistieke producties die verkeerd vallen zijn volgens Geelen doorgaans het gevolg van stommiteiten. „En dus niet van het grote complot wat de buitenwereld erachter vermoedt.”

Dat hij als ombudsman weinig invloed heeft, bewees Geelen ook met zijn slotakkoord in die rol. Tegen zijn dringende advies in, zoekt de hoofdredactie nu tóch naar een opvolger.