Bodyl woont nog thuis, dankzij mentor Wilma

Jeugdzorg Een familielid of buurvrouw als vertrouwenspersoon voor kinderen kan een traumatische uithuisplaatsing voorkomen.

Wilma van der Wijngaard (58) is de mentor en ‘bonusoma’ van Bodyl (16).
Wilma van der Wijngaard (58) is de mentor en ‘bonusoma’ van Bodyl (16). Foto Bram Petraeus

Wilma van der Wijngaard woonde al een hele poos in Driebergen toen een paar huizen verderop een gezin introk met drie jonge kinderen en twee hondjes. „Laat maar weten als ik ze een keer moet uitlaten”, had Wilma tegen de moeder gezegd, en zo was er al snel een goede band ontstaan. Ze merkte dat het gezin de nodige problemen had. Toen de ouders in scheiding lagen, sprong Wilma af en toe bij in het huishouden. Zo’n vier jaar geleden kwam de vraag of ze mentor wilde zijn voor haar buurmeisje Bodyl. Geen idee waar ik ‘ja’ tegen zeg, dacht Wilma, maar laat ik het gewoon proberen.

In 2013 werd gestart met een nieuwe aanpak in de jeugdzorg: familieleden of goede bekenden die optreden als vertrouwenspersoon voor jongeren in een moeilijke gezinssituatie. De jongere kiest iemand uit zijn of haar omgeving die steun kan geven of advies. Deze ‘JIM’ (Jouw Ingebrachte Mentor) begeleidt een kind op vrijwillige basis. Hij of zij kent de gezinsleden en staat dichterbij dan een hulpverlener, is de gedachte. De JIM kan voorkomen dat een kind onnodig uit huis wordt geplaatst.

Orthopedagoog Levi van Dam, die de JIM-aanpak bedacht en er in 2018 op promoveerde, zag dat jongeren uit huis plaatsen meestal niet de oplossing is voor hun problemen. Sterker: een uithuisplaatsing is vaak een traumatische ervaring voor een kind. Vorig jaar waren er volgens het CBS ruim 42.000 jongeren die ‘jeugdhulp met verblijf’ kregen en op enig moment niet bij hun ouders woonden.

In het actieprogramma dat minister Hugo de Jonge (Volksgezondheid, CDA) vorig jaar presenteerde, wordt de JIM genoemd als een van de mogelijkheden om de jeugdhulp te verbeteren. De aanpak moet zorgen dat „de jongere zelf meer aan het stuur komt”.

Lange termijn

Dat jongeren die een mentor hebben daarvan profiteren, bleek al uit verschillende internationale studies. Deze donderdag verschijnt een onderzoek van de Universiteit van Amsterdam in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid naar de effecten van de JIM-aanpak op de langere termijn. 24 koppels bij wie de hulpverlening inmiddels is afgerond, werd gevraagd naar hun ervaringen. Hoe kijken ze terug? Is uithuisplaatsing inderdaad voorkomen? En houden de JIMs het vol om zo lang bij een neefje, nichtje of buurmeisje betrokken te zijn?

De antwoorden verschillen. Sommige mentoren vonden dat ze erg veel verantwoordelijkheid kregen, anderen zeiden juist dat ze niet werden betrokken bij cruciale besluiten. Driekwart van de koppels hield contact na afloop van het hulpverleningstraject, dat minimaal een jaar duurt. In de meeste gevallen was de dreigende uithuisplaatsing afgewend: 80 procent van de jongeren woont nog thuis of in een vertrouwde omgeving.

Lees ook: Arnon Grunberg: wij moeten bij de kinderen blijven

Relatie mentor en jongere

Wel zagen de onderzoekers dat een JIM-traject een negatief effect kan hebben op de relatie tussen mentor en jongere, zeker als deze al niet optimaal was aan het begin. De keuze voor een mentor moet daarom niet door een ouder of hulpverlener worden opgelegd, maar die van de jongere zelf zijn.

Voor huidige en toekomstige mentoren is het belangrijk dat zij meer erkenning krijgen van organisaties, zeggen de onderzoekers. Want in de praktijk zijn de reacties lang niet altijd positief. Van der Wijngaard krijgt als ze als vrijwilliger meegaat naar trainingen voor hulpverleners soms „de wind van voren”. „Zij hebben zoiets van: kom niet aan mijn baan. Maar dat wil ik helemaal niet, het is een samenwerking. We zijn er allebei voor het kind.”

‘Sinds Bodyl hier komt, is ze rustiger geworden’

Wilma over Bodyl: „Alles wat Bodyl vertelt, blijft tussen ons. Dat is een afspraak die we hebben. Soms praat ik met haar moeder, maar wat Bodyl tegen mij zegt, vertel ik nooit. Ik ben JIM geworden omdat ik weet hoe belangrijk het is om af en toe je hart te luchten. Als je als buurvrouw ergens binnenkomt, dan heeft de buurt daar soms een oordeel over, dan meng je je in een gezin. Als JIM heb je een rol en is het anders.

„Sinds Bodyl hier regelmatig komt, is ze rustiger geworden. Ze is niet meer zo tegendraads. Ik denk dat het vooral komt doordat ze nu weet dat ze mag zijn wie ze is. Ik probeer haar rust, warmte en een plek voor haarzelf te geven. Hier kan ze even bijkomen met een dekentje over zich heen. Ik ben niet haar opvoeder, dus ik zal haar nooit vertellen hoe ze iets moet doen. Deze zomer ging ze met haar vriend naar Tenerife, mijn dochter had dat nooit gemogen.

„Ik had het nooit verwacht, maar sinds ik JIM ben, heb ik meer geleerd dan in de vijftig jaar ervoor. Ik ga soms mee naar trainingen en wat ik daar hoor… Ik wist niet dat er zoveel ellende is in de wereld. Als ik zie wat Bodyl al heeft meegemaakt in haar jonge leven en hoe goed ze voor zichzelf kan zorgen, dan vind ik dat ontzettend knap.

„Soms krijg ik een dikke kus, of staat Bodyls moeder ineens voor mijn deur met een bos bloemen met zo’n 35 procent korting-sticker erop van de Albert Heijn. Dat soort dingen zijn waardevoller dan geld. De ene bloem hangt slap, de ander staat recht overeind. Dan denk ik: net het leven, eigenlijk.”

‘Misschien had ik wel iets stoms gedaan, als Wilma er niet was’

Bodyl over Wilma: „Toen ik hoorde dat ik een JIM kon krijgen, dacht ik eerst: wie moet ik dát nou weer vragen. Ik wist niet goed wat het inhield en was heel koppig. Het leek me dom en ik had helemaal geen behoefte aan hulp. Toen mama Wilma voorstelde, zijn we samen bij haar langs gegaan om het te vragen. Wilma zei: zeg maar eerlijk of je het ziet zitten.

„Ik heb me bij Wilma altijd vertrouwd gevoeld, ook voordat ze mijn JIM was. Toen het even slecht ging met mijn moeder, kwam ze soms helpen met de was opvouwen. Ik noem haar mijn bonusoma. Ik ben altijd welkom. Als ik problemen heb of niet lekker in mijn vel zit, app ik of ik kan komen eten. Eerst zagen we elkaar een keer per week, nu wanneer het uitkomt.

„Er was een periode waarin ik thuis ongelukkig was en veel ruzie maakte. Een keer mocht ik mee barbecuen bij Wilma’s dochter. Het deed me heel goed om even op een warme plek te zijn. Ik werd weer vrolijk en kon me er een beetje overheen zetten. Thuis kon ik normaal doen tegen mijn moeder. Misschien had ik wel iets stoms gedaan, zoals weglopen, als Wilma er niet was geweest.

„Het is fijn dat ik mijn verhaal kwijt kan, zoals na de zomervakantie toen ik gestresst was omdat ik ineens besefte hoeveel ik moest gaan doen voor school. Dat iemand gewoon luistert. Ik hoef ook niet over alles advies. Ik vogel zelf wel uit hoe het werkt.”