Niet alle Marokkanen heten Mo

Achtergrond Een nieuwe generatie diverse, vooral Marokkaans-Nederlandse filmacteurs heeft een einde gemaakt aan het monoculturele drama in de Nederlandse film.

‘De belofte van Pisa’: Shahine El-Hamus in zijn eerste hoofdrol.
‘De belofte van Pisa’: Shahine El-Hamus in zijn eerste hoofdrol. Foto Diederick Bulstra Photography

‘Wie had dat ooit gedacht, dat wij zouden schrijven broer? Jongens uit Noord schrijven niet. Tenminste, geen brieven. Jongens uit Noord praten. Of zwijgen. En als we zwijgen, zwijgen we allemaal. Mo-Zig-Zag. Mo-Mocro. Eski-Mo. Kleine Mo. Mo-Begrijp-Je. Vis-Mo, Mo-Geflipte. Big-Mo. Duivel. En ik.”

Zo begint De belofte van Pisa, de nieuwe film van regisseur Norbert ter Hall en scenarist Robert Alberdingk Thijm naar de gelijknamige hitroman van Mano Bouzamour uit 2013. Het is een overduidelijke verwijzing naar Rainer Werner Fassbinders beroemde film Angst essen Seele auf (1974), een van de eerste Europese films over racisme aan de hand van een interculturele verhouding tussen een Noord-Afrikaanse migrant en een Duitse poetsvrouw. Dat de film in Nederland als ‘Alle Turken heten Ali’ werd uitgebracht, is hoewel feitelijk onjuist wel begrijpelijk. Mid jaren zeventig kwam de eerste generatie arbeidsmigranten (toen nog ‘gastarbeiders’ geheten) in Nederland vooral uit Turkije. De Nederlandse titel sprak aan op een vooroordeel wat we tegenwoordig zouden kunnen vertalen met ‘Alle Marokkanen heten Mo’. De belofte van Pisa speelt daarmee.

Het is een film over de letterlijke en figuurlijke afstanden die een Marokkaans muziektalent uit Amsterdam-Noord moet overbruggen om op een prestigieus lyceum in Amsterdam-Zuid als de eerste uit zijn familie een vwo-diploma te halen, en daar horen ook het omgaan met vooroordelen en racisme (door een roodharige klasgenoot en een zwarte agent) bij. Maar makers Ter Hall en Alberdingk Thijm hebben met hun tv-serie A’dam – E.V.A. een fijnzinnige radar ontwikkeld voor veelkleurig en divers Amsterdam. In elke hoek van het beeld gebeurt wel iets wat laat zien dat de werkelijkheid van Amsterdam al lang niet meer zo zwart-wit is als hoofdpersoon Sam hem soms ervaart.

Lees ook ons interview met Shady El-Hamus en zijn vader acteur Sabri Saad El-Hamus, die een rol speelde in Shady’s eerste grote speelfilm De Libi.

Debuterend acteur Shahine El-Hamus is de jongere broer van regisseur Shady El-Hamus. Ze groeiden op in een theatergezin met Egyptische en Nederlandse ouders. Shady debuteerde deze zomer met de veelkleurige schelmenfilm De libi, vertelde in een interview met deze krant dat de tijd rijp was voor films en personages die ons een andere bril opzetten om naar het Nederland van nu te kijken.

In een videocolumn signaleerde filmmaker Tessa Boerman in 2016 dat het filmdoek in Nederland behoorlijk wit bleef. „Het monoculturele drama” noemde ze dat. Het automatisme om alleen met mensen te werken die ze kenden, of op hen leken, moest doorbroken worden. Er was meer diversiteit nodig. Voor én achter de camera.

Mede geïnspireerd door haar oproep voert de Nederlandse filmwereld sinds twee jaar een actief diversiteitsbeleid. En hoewel het te vroeg is om daar resultaten van te zien – het gemiddelde productieproces van een Nederlandse speelfilm is al snel vijf jaar – valt dit jaar in een aantal toonaangevende producties wel op hoe makers zelf het heft in handen namen. Eerder dit jaar kwam zoals gezegd het multiculturele stadssprookje De libi uit, met hoofdrollen voor Bilal Wahib, Oussama Ahammoud (beiden ook te zien in tv-serie Mocro Maffia) en Daniel Kolf.

Daarna kwam de multiculturele romkom F*ck de liefde van de Marokkaanse broers Appie en Mustapha Boudellah. De titel is een middelvinger naar Alles is liefde, de eerste grote publieksfilm die onder vuur kwam te liggen vanwege z’n spierwitte cast. Het enige gekleurde personage was nota bene Zwarte Piet. Dat was 2007, een paar jaar nadat met Shouf shouf habibi! (2004) en Het schnitzelparadijs (2005) de eerste golf multiculturele films het licht had gezien, en de eerste generatie acteurs met een biculturele achtergrond doorbrak bij het grote publiek. Acteur Mimoun Oaïssa was niet meer van het scherm te slaan. Hij vertolkte in beide films hoofdrollen en schreef mee aan de scenario’s om ze authentieker te maken.

Desondanks draaide het in die eerste films nog vaak om clichés en typecasting. Iets waar pas verandering in kwam met de volgende golf. Die begon in 2011 toen de jonge regisseurs en producenten Victor Ponten en Jim Taihuttu de lowbudget-roadmovie Rabat maakten en hoofdrolspeler Nasrdin Dchar een Gouden Kalf in de wacht sleepte. Zijn emotionele dankwoord – „Ik ben een Nederlander, ik ben heel trots met Marokkaans bloed, ik ben een moslim, en ik heb een fokking Gouden Kalf in m’n hand” – ging viraal.

Lees hier de recensie van ‘De belofte van Pisa’

Belangrijker was dat Rabat, en met name opvolger Wolf (2013), complexe personages neerzetten in een plot die niet alleen over problemen rondom huidskleur of culturele achtergrond ging. Films als Layla M. (2016) met een Gouden Kalf voor Nora El Koussour en Broeders (2017) pakten lastige onderwerpen als radicalisering en extremisme in het Midden-Oosten aan.

Aan de andere kant van het spectrum geven de Bon Bini Holland-komedies (een derde film is in de maak) voor een groot publiek kleur aan verhalen met een Antilliaanse achtergrond. In hoeverre dergelijke films met hun hoge lach-of-ik-schietgehalte bijdragen aan verdere emancipering van authentieke verhalen is de vraag. Maar ze introduceren in ieder geval acteurs die tot nu toe op het filmdoek onzichtbaar waren.