Portret Marianne van Ooyen.

Foto David van Dam

Klokkenluider: ‘Ik werd afgeluisterd toen de minister mij rehabiliteerde’

Marianne van Ooyen-Houben | Interview Marianne van Ooyen-Houben, klokkenluider bij het ministerie van Justitie, werd maandenlang afgetapt. „Rommelen binnenskamers bij het ministerie ging mij te ver.”

Hoe ben ik hier in hemelsnaam terechtgekomen, vraagt klokkenluider Marianne van Ooyen-Houben zich af. Het is 3 juli 2019 en in plaats van op een Franse camping bevindt ze zich in een verhoorkamer in het Haagse Paleis van Justitie. Daar wordt ze als getuige gehoord. Naast haar zit Bénédicte Ficq, haar advocaat. Tegenover haar: een man en een vrouw van de Rijksrecherche.

Lees ook: Klokkenluider in onderzoek naar WODC-affaire afgetapt

De ondervragers beginnen met een vervelende mededeling: haar telefoon is afgetapt. Maandenlang is er – met tussenpozen – meegeluisterd met haar privégesprekken. Dat was nodig, vertellen de rechercheurs, voor het opsporingsonderzoek naar het uitlekken van haar klokkenluidersmelding naar de media.

„Ik viel van mijn stoel”, zegt sociaal psycholoog Van Ooyen begin oktober in haar woonkamer in Voorburg. „Ik had er nooit bij stilgestaan dat ze zo ver zouden gaan. Dat ze mij zouden afluisteren. Dat is een enorme inbreuk op mijn privacy en voelt heel onveilig. Het doet er kennelijk niet toe dat mijn melding terecht was en dat ik gelijk heb gekregen.”

De rechercheurs blijken ook haar werkmailbox te hebben doorgespit. Maar, zeggen ze ter geruststelling, niet alle opsporingsmiddelen zijn ingezet. Zo is ze niet geschaduwd en is de Rijksrecherche evenmin heimelijk haar huis binnengedrongen. Van Ooyen: „Dat had blijkbaar ook nog gekund”.

Wat voorafging

Tot aan haar pensionering in 2017 was Van Ooyen een gewaardeerd beleidsonderzoeker, auteur van tientallen wetenschappelijke publicaties en presentaties over het Nederlandse drugsbeleid. Ze werkte voor het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), een onderdeel van het ministerie van Justitie en Veiligheid (J en V). WODC-rapporten hebben in politiek Den Haag veel aanzien, omdat ze gelden als objectief en wetenschappelijk onderbouwd.

Haar strijd met het ministerie van J&V begint in 2013, als ambtenaren van het departement keer op keer proberen onderzoeken bij te sturen. De uitkomsten worden gezien als een politiek risico voor het beleid van minister Ivo Opstelten (VVD), erkend tegenstander van een liberaal drugsbeleid.

„Hoge justitie-ambtenaren wilden dat ik conclusies afzwakte en andere ingrepen deed die ik als beleidswetenschapper niet kon verantwoorden”, zegt ze. „Natuurlijk moet het departement als opdrachtgever inbreng hebben in WODC-onderzoek, maar kritische bevindingen uit een rapport halen en rommelen met de aanbesteding van een onderzoeksopdracht, binnenskamers bij het ministerie, dat ging mij veel te ver.”

Sinds Nieuwsuur is alles anders, mede door de reactie van justitieminister Ferdinand Grapperhaus

Daarom doet zij in 2014 bij de departementale vertrouwenspersoon een interne melding van een „vermoeden van een misstand”. Die blijft echter in een la liggen. Ook de top van het departement ziet geen aanleiding om in te grijpen. Buiten haar om lekt de melding uit naar actualiteitenrubriek Nieuwsuur, die eind 2017 een uitzending wijdt aan de zaak. Van Ooyen wordt ongewild van een interne melder een publieke klokkenluider.

Sinds Nieuwsuur is alles anders, mede door de reactie van minister Ferdinand Grapperhaus (Justitie en Veiligheid). De CDA’er is net minister geworden en wil een daad stellen op het als moeilijk bestuurbaar geldende departement. Hij benoemt maar liefst drie onderzoekscommissies.

Die leveren tussen juni 2018 en januari 2019 hun rapporten af. Het eindoordeel, aldus een Kamerbrief: er zijn „wezenlijke tekortkomingen”, „onduidelijke scheidslijnen” tussen beleid en onderzoek en risico’s op „oneigenlijke beïnvloeding”. Grapperhaus grijpt in: het WODC wordt meer op afstand van het ministerie geplaatst en de WODC-directeur stapt vervroegd op.

Lees ook: ‘Ik werd als een verdachte behandeld’ (2018)

Midden in dit proces, in november 2018, deelt Marianne van Ooyen met NRC haar ervaringen als interne klokkenluider. Ze vertelt hoe ze door de onderzoekscommissies „kritisch en soms zelfs beschuldigend” is verhoord. Ze heeft zich moeten verweren tegen ontkenningen van het ministerie en pogingen om haar melding te degraderen tot een arbeidsconflict. Oud-collega’s hebben haar de rug toegekeerd en ze voelt zich beschadigd door de leiding van het WODC, die haar motieven in twijfel trekt.

Het had een eenmalig interview moeten zijn. „Ik hoopte dat ik na de publicatie van de onderzoeksrapporten de nare, stressvolle periode kon afsluiten. Ik ben al een paar jaar gepensioneerd en wilde met mijn hoofd bij mijn kleinkinderen en familie zijn.”

Rijksrecherche

Maar het liep anders. In maart 2019 volgt een afsluitend Kamerdebat, waarbij Van Ooyen aanwezig is. Ze krijgt van Grapperhaus publiekelijk lof toegezwaaid: „De klokkenluidster verdient complimenten”, zegt hij in het debat. „Het verdient groot respect dat je als individu op enig moment in een organisatie aan de kaak stelt dat je de stellige overtuiging hebt dat er iets niet goed loopt.” Ze ontvangt daarnaast „drie vriendelijke, persoonlijke brieven” van de minister, met wie ze ook een gesprek heeft.

Na het debat schiet Ronald Barendse, de een na hoogste man van het departement, haar aan. Hij had haar eerder al uitgenodigd en vraagt of hij nog eens mag bellen, om gezamenlijk terug te kijken. „Ik wilde niet. De zaak was voor mij eindelijk afgedaan en ik had grote behoefte aan rust”, zegt zij. „Ik wilde met mijn man op vakantie. Gewoon, drie weken kamperen.”

En dus zit Van Ooyen begin juni op een Franse camping. Haar telefoon heeft er nauwelijks bereik, maar dat vindt ze wel zo rustig. Tot ze op de eerste dag een berichtje wil sturen naar haar kinderen en ze bij de receptie een tegoed voor het Wifi-netwerk van de camping aanschaft.

Ze zet haar telefoon aan en daar verschijnt een mailbericht van Ronald Barendse. Die schrijft dat het ministerie aan het uitzoeken is hoe het kan dat er zoveel interne informatie uitlekt naar de media. „Volgens hem waren er twintig gevallen van lekken. Hij had intern gesprekken gevoerd en contact opgenomen met de Rijksrecherche. Het ministerie had aangifte gedaan van schending van het ambtsgeheim. Ik schrok enorm, want daar kun je een jaar gevangenisstraf voor krijgen. Was ik soms verdachte geworden?”

Lees ook: ‘Onafhankelijk WODC heeft geen prioriteit’

De dagen daarna zijn onrustig. „Zittend voor mijn tent hoorde ik dat Nieuwsuur opnieuw over het WODC had bericht, dat Barendse was opgestapt en dat de Ondernemingsraad van het departement aan de bel had getrokken over de aangifte. Ondertussen zat ik te stuiteren op de camping. En bellen met Nederland ging nauwelijks, vanwege de slechte telefoonverbinding.”

„We zijn uiteindelijk een week eerder naar huis gegaan. Ik voelde me erg gestresst en wilde exact weten wat er speelde. Terug in Nederland moest ik naar een begrafenis, in Noord-Limburg. Na de plechtigheid stond de Rijksrecherche op mijn voicemail. Of ik langs wilde komen. Ik ben op een uitvaart en ik wil een advocaat, heb ik ze ge-sms’t. Daarna zijn we direct weggegaan. Er was allerlei familie die ik wilde spreken en condoleren, maar ik verkeerde in een te grote staat van opwinding.”

Thuis gaat Van Ooyen direct op zoek naar een advocaat. Ze komt uit bij de Amsterdamse strafpleiter Bénédicte Ficq, die ze inmiddels „mijn bodyguard” noemt. „‘Doe voorzichtig en rustig’, zei Ficq. Ook hield ze me voor dat de Rijksrecherche informanten in kan zetten in een onderzoek. Zoals oud-collega’s, die onder het mom van een praatje hengelen naar informatie over het lek. Dat voelt heel slecht.”

Afgeluisterd

Op 3 juli, om 11 uur ’s ochtends, meldt Van Ooyen zich samen met haar advocaat in Den Haag bij het Paleis van Justitie. Ze wordt gehoord als getuige, niet als verdachte. Kort daarna staat ze „volledig verbouwereerd” weer buiten. „De rechercheurs hebben mij vriendelijk uitgelegd waarom ik moest komen en waarom ik werd afgeluisterd. Ze vermoedden dat ik een goede band had met degene die de stukken had gelekt. Dat we elkaar wel zouden bellen. Zo wilde de Rijksrecherche de zaak oplossen.”

„Ik heb ze verteld wat ik iedereen, elke keer heb verteld. Dat ik mijn klokkenluidersmelding niet gelekt heb en dat ik niet weet hoe mijn melding ooit bij Nieuwsuur-journalist Bas Haan terecht is gekomen. Daarna kon ik weer gaan. Voor mijn gevoel duurde het gesprek de hele ochtend, maar in het verslag staat dat ik maar 34 minuten met de rechercheurs heb gesproken.”

Daarna komt de emotie. „Moet je nagaan. Op het moment dat de minister mij rehabiliteerde, werd ik afgeluisterd. Daarvoor en daarna ook. Het ministerie heeft al in november 2018 aangifte gedaan. Ik bel met mijn zussen – goed, dat is in het Limburgs en voor een buitenstaander niet interessant en nauwelijks te verstaan – en met mijn kinderen. Dat is allemaal privé. Maar ook met mijn adviseurs van het Huis voor Klokkenluiders en de Expertgroep Klokkenluiders. Die mensen hebben mij reuze geholpen met alle onderzoeken. Dan mag de Rijksrecherche toch niet zomaar meeluisteren?”

Jacht op melders

En dus zit Marianne van Ooyen bijna een jaar na haar eerste gesprek met NRC weer aan haar eettafel, weer tegenover de krant. Ze heeft officieel nog niets gehoord van de officier van justitie over de afloop van het opsporingsonderzoek van de Rijksrecherche, ondanks aandringen van haar advocaat.

„Ik ben de afgelopen maanden mensen uit de weg gegaan. Allemaal wilden zij weten hoe het met mij en de zaak ging, maar ik voelde me geremd. Ik kies er nu voor om publiekelijk uit te leggen wat er is gebeurd. Maar vooral wil ik dat duidelijk wordt hoe het ministerie – ondanks al zijn mooie woorden – achter de melders van misstanden aangaat in plaats van achter degenen die die misstanden veroorzaken.”

Ze is blij dat haar melding uiteindelijk nut heeft gehad. Door het ingrijpen van Grapperhaus heeft het WODC een onafhankelijker positie gekregen en is de informatiepositie van de Tweede Kamer beter geregeld. Toch heeft ze het knagende gevoel dat die niet helemaal serieus is genomen. „Ik heb gedaan wat iedere beleidswetenschapper in mijn functie zou moeten doen – namelijk aankaarten dat mijn onderzoek werd gecompromitteerd door ambtenaren op het departement. Als ik niets had gezegd, had niemand ervan geweten. Het was niet niets, wat in mijn melding stond. Het beïnvloeden van mijn onderzoek voelde verdacht veel als het aanzetten tot valsheid in geschrifte.”

„Het ministerie zegt het één, maar doet het ander. Ik krijg complimenten omdat ik gemeld heb en beland vervolgens bij de Rijksrecherche in een opsporingsonderzoek.”

Ze vreest dat de ambtenaren die haar en andere onderzoekers onder druk hebben gezet, er mee wegkomen. „Net als degenen die meebogen of nalieten er iets tegen te doen. De meesten zitten nog comfortabel op hun positie, terwijl er jacht wordt gemaakt op de melders. Het is de omgekeerde wereld.”

Ook vraagt ze zich af of de departementale cultuur wezenlijk is veranderd. Haar analyse: „Het ministerie zegt het één, maar doet het ander. Ik krijg complimenten omdat ik gemeld heb en beland vervolgens bij de Rijksrecherche in een opsporingsonderzoek. De minister zegt dat ik respect verdien, maar ondertussen wordt mijn telefoon afgetapt. Ze hebben de mond vol over transparantie, maar doen intussen stiekem intern onderzoek naar lekken. De secretaris-generaal stuurt mailtjes rond dat iedereen kritisch moet blijven en moet blijven melden, maar vervolgens maken ze jacht op melders.”

Op 21 oktober 2019 krijgt het WODC een nieuwe directeur: hoogleraar Gerty Lensvelt-Mulders. Lensvelt kent het instituut goed, als onderzoeker en als lid van één van de commissies die de WODC-affaire onderzocht. „Laat dat nou net de commissie zijn die geen structureel probleem zag en beleidsingrepen in mijn onderzoeken goedpraatte”, vertelt Van Ooyen. „Diezelfde commissie die mij voorhield dat ik als beleidsonderzoeker meer rekening had moeten houden met eventueel ongemak bij de minister, door harde bevindingen omfloerster te formuleren of een onderzoeksopdracht in te perken. Als een soort zelfcensuur, zodat er geen politiek risico zou ontstaan. Tja, dat leidt toch weer tot een beleidsgerichte onderzoekscultuur.”

Macht

Het zal nog een tijd duren voordat de klokkenluiderservaring uit haar systeem is. „Ik ben bang geworden voor de macht van de staat en het ministerie. Ik durf mails en berichten over het WODC nauwelijks te lezen, uit vrees dat ze weer een akelig juridisch geintje hebben bedacht. Mijn man fungeert als voorproever – pas als hij een bericht heeft goedgekeurd, ga ik het daarna lezen.”

En nu? „Ik hoop dat het ministerie mijn zaak eindelijk kan laten rusten. Ze hebben drie commissies op mij afgestuurd, intern onderzoek gedaan, de Rijksrecherche ingeschakeld, mij laten verhoren, mij maanden laten afluisteren, mijn vakanties vergald. Dat lijkt mij wel genoeg. Wanneer breekt eindelijk het inzicht door dat misstanden niet worden opgelost door ze te ontkennen en de melders aan te pakken?”

Lees ook: ‘Strafexpedities’ op Veiligheid en Justitie tegen ambtenaren die misstand melden (2016)