Opinie

Vier sneetjes in de buik

Frits Abrahams

Tot voor kort leek een kijkoperatie mij als buitenstaander een bijna aangenaam soort medische ingreep. Een chirurg opende je huid met een sneetje, daaronder loerde en poerde hij wat, waarna hij fluitend het zaakje dichtgooide en jij weer op de fiets naar huis kon.

Dat beeld moeten veel mensen van een kijkoperatie hebben, want elke keer als ik vertelde dat ik er een moest ondergaan, begonnen ze zelf de andere kant op te kijken. Pijntjes hadden we allemaal, fijn dat zo’n dokter er even naar wilde kijken. Had ik verder nog wat te melden?

Ook mijn gelispelde mededeling dat mijn ontstoken galblaas bij zo’n kijkoperatie helemaal verwijderd zou worden, maakte weinig indruk. „Galblaas? Waar zit dat ding ook weer?”

Van de weeromstuit begon ik ook zelf de ingreep zwaar te relativeren. Bij aankomst in het ziekenhuis informeerde ik hoe laat ik weer naar huis kon, alsof ik plannen had ’s avonds in de kroeg door te zakken. „U bent hier de hele dag”, waarschuwde een verpleegkundige, „u moet niet denken dat het maar een kleine operatie is. Vroeger lag je er een week voor in het ziekenhuis.”

Ze stopte me maar meteen in bed, ook al zou de operatie pas twee uur later plaatsvinden. Vanwege spoedoperaties was er vertraging opgetreden. Ik moest mijn kleren en schoenen in een kluis opbergen en mijn ‘operatiekleding’ aantrekken, een katoenen hesje waarin ik op de kleuterschool een heel lief jongetje zou zijn geweest. Er was acrobatiek vereist om het ding dicht te krijgen, want de sluiting zat voor mijn maaiende armen te hoog op de rug. Gelukkig hield mijn galblaas zich koest. Was hij al geïntimideerd door het schavot dat hem wachtte?

Daarna moest ik me urenlang op bed verpozen met de enige serieuze lectuur die voorradig was: een juninummer van Elsevier Weekblad. Geen kwaad woord voor de ongetwijfeld keihard werkende collega’s van dit blad, maar op deze taak bleken zij niet berekend. Aanspraak had ik niet, want de bedden om mij heen waren gevuld met patiënten die nogal wezenloos van een operatie lagen bij te komen. Alleen toiletbezoek op de gang bood afleiding, maar toen ik mezelf van bovenaf bekeek – het hesje, de blote benen eronder, de pantoffels – begreep ik dat ik het bij één keer moest laten.

Ik was opgelucht toen enkele afgezanten van de afdeling chirurgie mij eindelijk op mijn bed naar hun koninkrijk reden. Aan de anesthesist vroeg ik of ik, zoals ik ergens gelezen had, binnen een halve minuut „in diepe slaap” zou zijn. „Een paar minuten” verbeterde hij. De chirurg, een vriendelijke mevrouw van middelbare leeftijd, kwam kort kennismaken. „Hoe lang gaat het duren?” vroeg ik. „Veertig tot negentig minuten, afhankelijk van wat we aantreffen”, zei ze.

Hoe graag zou ik hierna gedetailleerd beschrijven hoe ze via vier sneetjes een complete galblaas uit mijn buik visten. Helaas was ik opeens nergens meer. De regisseur van mijn leven had zomaar een heel stuk uit de film geknipt. Ik werd duf en daas wakker op de zaal met Elsevier Weekblad naast mijn bed.

Enkele uren later mocht mijn vrouw me afhalen. Op advies van een verpleegkundige had ze van beneden zo’n dramatische rolstoel meegenomen, iets te dramatisch voor een kijkoperatie. Liever schuifelde ik heroïsch aan haar zijde naar de uitgang. Jammer dat niemand erop lette.