Opinie

Probleem opgelost

Marcel van Roosmalen

Nog niet zo lang geleden klaagde ik op deze plek nog dat conducteurs op het traject Uitgeest-Rotterdam altijd eerste klas gaan zitten, maar daar kom ik op terug, vrijdagmiddag miste ik dat gelul boven een opengeklapte broodtrommel enorm.

Bij Zaandam viel een man onze coupé binnen.

Bijna twee meter, zwetend van irreële angst.

„Ik kan niet tegen tussen mensen”, riep hij. „Dus ik ga hier zitten! Ik heb geen kaartje. Iemand bezwaar?!”

Ik scande de coupé, ik zag alle medepassagiers hetzelfde denken: niet tegenover mij. De man schuin tegenover me begroef zich alvast in zijn krant. Duidelijk signaal: wat er ook ging gebeuren, op hem hoefden we niet te rekenen.

Hij bleef herhalen dat hij niet tegen ‘tussen andere mensen’ kon en dat hij daarom hier, tussen ons ging zitten, tussen mensen die ook niet tussen andere mensen wilden anders hadden ze wel een goedkoper kaartje gekocht.

Hij ging niet tegenover me zitten.

Toen de opluchting daarover was gezakt daalde het besef in dat ik op de stoel achter me nog vervelender vond.

Hij sloeg met de vuist tegen de rugleuning, vloekend in een mij onbekende taal, die de man tegenover die in zijn krant was gekropen later zou duiden als ‘waarschijnlijk Servisch’.

Ik ben slecht in dit soort situaties.

Uit films en boeken had ik begrepen dat je jezelf het best er tussenuit kon denken. Ik dacht aan mijn broer die bang is voor mensen, ik kwam in die paar minuten een stuk dichter bij hem dan ik in jaren ben geweest. Ik moest maar weer eens bellen.

De conducteur, een gedrongen vrouw, ik schatte haar op hooguit 1 meter 60 kwam de coupé binnen. Drie paar ogen zochten contact. Ik ook, ik probeerde zonder geluid iets te zeggen over de man achter me. Dat hoefde niet.

Hij schreeuwde weer dat hij ‘niet tussen andere mensen’ kon.

„Voor mij is het ook niet elke dag feest”, zei ze onderkoeld. „Heeft u een plaatsbewijs?”

Zij bleef rustig.

„U hoeft niet tegen het raam te slaan, daar houd ik niet van.”

Hij riep dat hij in het leger had gezeten, dat hij nachtdiensten draaide in Krommenie, dat hij er niet meer tegen kon, tegen tussen andere mensen...

Zij had ook in het leger gezeten, Afghanistan.

Bij Amsterdam-Muiderpoort had ze hem de trein uitgeluld. Meer zat er niet in, verexcuseerde ze zich. Wel jammer dat we hem op het perron aan de overkant een andere trein in zagen stappen.

De man tegenover me kroop uit zijn krant. „Probleem opgelost.”

„Probleem afgeschoven”, zei de conducteur, „het blijft wel NS.”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.