Opinie

Mag het OM geen strafdeals sluiten? Pas dan de wet aan

Rechtspraak Een vonnisafspraak met het OM is legaal, schrijft .
Rechtszaal in het (dan nog) toekomstige Paleis van Justitie aan het IJdok in Amsterdam, 2012
Rechtszaal in het (dan nog) toekomstige Paleis van Justitie aan het IJdok in Amsterdam, 2012 Foto Olivier Middendorp/Hollandse Hoogte

In De eerste strafdeal is gelukkig mislukt (5/10) blikt NRC’s juridisch commentator Folkert Jensma terug op een zogenaamde plea bargain-casus, een vonnisafspraak die het OM met twee fraudeverdachten had gemaakt, aangebracht bij de Zwolse rechtbank. Met enig genoegen stelt hij vast dat de rechtbank het standpunt van het OM niet heeft gevolgd en kwalificeert hij het optreden van het OM als een strafrechtelijke blunder.

Hij bepleit niet langer ruimte te bieden aan de praktijk van „wheelen en dealen”, aangezien daarmee de positie van de strafrechter gemarginaliseerd zou worden.

Laat ik vooropstellen dat in theorie alleen de strafrechter dient te bepalen of een persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en welke straf daarop zou moeten worden gesteld. In theorie dus: de praktijk is veel weerbarstiger.

Feit is dat de rechtbanken de enorme toestroom van zaken gewoonweg niet aankunnen. Zelfs niet in het tijdperk van de zogeheten ‘zsm-aanpak’, zijnde het juridische EHBO-loket van politie, OM en ketenpartners als Reclassering Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming, waarbij die instanties eenvoudige strafzaken afhandelen, zonder dat er een rechter aan te pas komt. Alleen al in de regio Den Haag zijn er duizenden zsm-zaken per jaar, die onder meer betrekking hebben op huiselijk geweld, bedreigingen, beledigingen en diefstallen.

Lees ook: Straffen zonder rechter, een trend die pas begint

Vervolgingsbeslissing

Steeds meer dient het OM bij het nemen van vervolgingsbeslissingen rekening te houden met zowel de beperkte opsporingscapaciteit bij politie als de beperkte zittingscapaciteit bij rechtbanken: een ieder zal begrijpen dat dit een verre van ideale werksituatie is. Desalniettemin proberen álle medewerkers van het OM – van stagiair tot parketsecretaris, van administratief medewerker tot officier van justitie – er het beste van te maken. In een volstrekt uitgemergelde organisatie proberen deze betrokken en loyale mensen recht te doen aan de principes zoals benoemd door Jensma: voorkomen van herhaling bij de dader, afschrikken van anderen, beschermen van slachtoffers, etc.

Om dat alles voor elkaar te boksen wordt ten volle gebruik gemaakt van de instrumenten die de wetgever ter beschikking heeft gesteld. Wettelijke bepalingen (waaronder art. 74 Wetboek van Strafrecht en art. 257a Wetboek van Strafvordering) maken het mogelijk voor de officier van justitie om een transactie aan te gaan met een verdachte of deze een straf op te leggen.

Als officier van justitie worstel ik meer dan ooit met de gemengde signalen die de Nederlandse samenleving geeft. Met minder geld en middelen moeten meer zaken worden opgepakt én opgelost. Echter, wanneer het OM gebruik maakt van wettelijke bevoegdheden om die wens te realiseren, bedient diezelfde samenleving zich snel van termen als „klassenjustitie” of „gemakzuchtig”. Dat doet geen recht aan de oprechte intentie van het OM.

Wat wil de burger?

Misschien is het nu wel gewoon tijd om de burger op de man af te vragen wat hij wil: dient alleen de rechter te oordelen over schuld en straf? Zo ja, laat de eerder genoemde wetsartikelen uit de Wetboeken van Strafrecht en Strafvordering schrappen en sta er op dat er meer rechercheurs, rechters én OM’ers worden aangesteld. Neem de tijd voor het maken van deze lastige keuze.

Totdat het antwoord er is, doen de Nederlanders werkzaam bij het OM er alles aan om voor een zo veilig mogelijk en rechtvaardige samenleving te zorgen – sámen met alle andere partners in de strafrechtketen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.