Opinie

Is het voorbij met de buitenlandse topman?

Menno Tamminga

Eerst was het een Italiaanse Colombiaan. Toen zou het een Belgische worden. Maar nu is Joost Farwerck toch de bestuursvoorzitter van KPN. Een Nederlander. Is het voorbij met de buitenlandse topmanagers bij grote Nederlandse ondernemingen? Het zou me niks verbazen. Zoals ook het vertrek van financieel directeur Jan Kees de Jager bij KPN een teken des tijds is.

Soms gaat het vertrek van de buitenlandse topmanager (m/v) met de nodige publiciteit gepaard, zoals bij KPN, soms juist niet. Vorig jaar vertrok de Noor Øystein Løseth stilletjes als bestuursvoorzitter van bodemonderzoeker Fugro. Nederland was hem bekend, Løseth leidde jarenlang energiebedrijf Nuon. Hij zat bij Fugro negen maanden op de hoogste post.

Waarom is de populariteit van de buitenlandse topman tanende? Om te beginnen een praktische reden: Nederlandse bedrijven doen al jaren minder grote buitenlandse overnames dan in de ‘wilde’ overnamejaren aan het eind van de vorige en het begin van deze eeuw.

Met die nieuwe buitenlandse werkmaatschappijen kwamen meestal ook hun bestuursvoorzitters in de top van de nieuwe Nederlandse eigenaar. Daar konden ze ook wennen aan de Nederlandse zakelijke cultuur: overleg, zachtere stijl van leiderschap, meer dan gemiddelde maatschappelijk opwinding over topbeloningen. Verschillende buitenlandse topmannen stootten vervolgens door tot het bestuursvoorzitterschap zelf. Don Shepard (Aegon). Michel Tilmant (ING). Met een buitenlandse topman hoorde je er ook echt bij, als groeibeluste multinational.

Buitenlandse topmanagers hadden misschien ook wel een streepje voor, omdat in die periode ook de raden van commissarissen een internationaler karakter kregen. Het was natuurlijk handig als ze het Nederlands beheersten, maar nodig was dat niet. Engels werd juist toen dé zakentaal: binnen de onderneming, in het jaarverslag, in de economie. Leve de globalisering!

Maar juist die trend is onderbroken door economisch nationalisme en opbloeiend protectionisme. Zelfs Nederland, liberaal handels- en investeringsland bij uitstek, doet mee. Het Oranje-gevoel. Het kabinet-Rutte III kocht 14 procent van de aandelen Air France-KLM om evenveel invloed te krijgen als de Franse staat. Nederland wil, zoals andere landen al eerder deden, ook buitenlandse overnames van Nederlandse bedrijven toetsen op criteria als nationale veiligheid.

Lees ook dit profiel van de nieuwe KPN-baas: Loyaal tot op het bot

Het economisch nationalisme zie je ook op ondernemingsniveau. KPN en PostNL zijn na grote internationale ambities terug bij af. Ze hebben zich teruggetrokken op Nederland. Dan ligt het ook voor de hand dat de bestuursvoorzitter tekst en uitleg kan geven bij een calamiteit à la een 112-storing bij KPN. Ibarra kon dat niet, Farwerck wel.

Een vergelijkbare ‘megatrend’ als economisch nationalisme reduceert de kansen op de top van financiële directeuren. Zij waren gewilde leiders toen aandeelhoudersrendement het hoogste goed was. Mannen als Cees van der Hoeven (Ahold) spraken de beleggerstaal en konden de waarde van hun bedrijf ‘verkopen’ in de financiële arena.

Succesvolle topmanagers met een financiële achtergrond zijn er nog steeds, zoals Peter Wennink bij chipmachinefabrikant ASML. Maar nu het eenzijdige rendementsbeluste kapitalisme steeds kritischer wordt bejegend, zijn financieel directeuren minder voor de hand liggende bestuursvoorzitters. Jarenlange ervaring in meerdere functies wordt een doorslaggevender criterium. Tegen die achtergrond is het begrijpelijk dat financieel directeur De Jager verder gaat als particulier ondernemer, niet als topman van KPN.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.