Opinie

Grondrecht

Ellen Deckwitz

En dan krijg je het telefoontje en kan je niet meer stil blijven zitten. Je sjort je schoenen aan en stapt de deur uit. De regendruppels zijn dikker dan knikkers en binnen vijf meter ben je tot op je ondergoed doorweekt (je had misschien een jas aan kunnen trekken). Maar wat maakt het uit, je denkt aan Arno’s moeder. Dat ze iets in haar vonden wat ze liever niet tegen waren gekomen. Op de röntgenfoto leken haar longen gevuld met het rookpatroon dat na het uiteenspatten van een vuurpijl in de lucht hangt.

Je loopt door en denkt aan je eigen ouders, de ouders van je vrienden. Toen je je vader onlangs omhelsde voelde je hoe los zijn vel al zat, alsof het klaar was om te worden afgestoten. Zijn ogen leken een donkere vijver, er hingen al bevroren vissen in. De laatste jaren worden er steeds meer ouders weggevaagd, ook jij hebt een leeftijd bereikt waarop je je steeds minder makkelijk neerlegt bij slaap. Waarop je je op visites begint te generen voor je eigen lijf, hoe gezond het lijkt, hoe makkelijk je ermee door de slagregens waadt. Hoe soepel je lucht naar binnen zuigt, die Nobelprijs voor dat onderzoek naar cellen en zuurstof: het doet je niets. Want het verandert niets.

Ze vonden iets bij Arno’s moeder.

Hoe ouder je wordt, hoe banger voor telefoontjes je wordt en dus zet je je mobiel uit en loop je verder door de stortregen, door de straten die door alle neerslag in bassins veranderen. Het water klotst in je schoenen, je natte ruwe sokken veroorzaken blaren op je hielen. Ze hebben iets gevonden in Arno’s moeder, haar longen lopen steeds sneller vol, uiteindelijk zal ze verdrinken in zichzelf en je stampt door de plassen, richting de vijver, die inmiddels flink buiten de eigen oevers is getreden. En ook daar wacht je geen oplossing of inzicht dat de boel beter te verdragen maakt, haar lichaam schoon en Arno minder verslagen.

Je draait je om, keert terug naar huis, waar het warm is, waar er nog geen probleem is, waar op de koelkast een vrolijke foto van je ouders hangt. En je stampt en je koelt verder af en je kan jezelf wel in het gezicht stompen, hoe achteloos je vroeger door de dagen ging, hoe straffeloos je in het openbaar hardop lachte. Toen je nog echt dacht dat alles wel weer goed zou komen. Toen je nog echt dacht dat dat een grondrecht was.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.
Lees ook een interview met Ellen Deckwitz: ‘Ik stam af van een overlever’