In Thialf blijkt: topschaatsers kennen ook clubliefde

Schaatsen Topschaatsers associeer je eerder met een merkenteam dan met een club. De band tussen club en schaatsers verschilt nogal.

Leden van STV Lekstreek moedigen hun clubgenoot Patrick Roest aan bij het NK.
Leden van STV Lekstreek moedigen hun clubgenoot Patrick Roest aan bij het NK. Foto Siese Veenstra

Ze heeft het Jumbo-Visma-pak aan waarin ze altijd schaatst, het geel met zwart. Zo zie je meteen dat ze een van de groten is, daardoor valt ze op het ijs op. Maar haar 1.000 meter heeft niets met haar commerciële ploeg te maken. En hoewel trainer Jac Orie deze zaterdagmiddag door de gangen van Thialf loopt, staat hij niet met haar op het ijs. Wel een trainer van de club waar het voor Antoinette de Jong op haar zesde begon, de Hardrijders Club Heerenveen (HCH). Waar ze net als onder anderen Sven Kramer als kind van de regio opgroeide, haar eerste schaatsvrienden maakte en het plezier in de sport vond. Om vervolgens te vertrekken, zoals dat met elk talent gaat. Eerst naar de trainingsgroep van een gewest, dan een commerciële ploeg. Zo verdwijnt de club in de achteruitkijkspiegel.

Na haar rit zit ze met haar schaatspak half opengeritst te kletsen met een verlegen meisje dat door haar vader naar voren is geduwd. Oranje hesje, grijze muts op haar hoofd, schaatshelm in haar handen, ze durft De Jong amper aan te kijken. Die neemt de tijd voor wat vragen van het meisje, terwijl vader met zijn telefoon filmt. En zo komen er meer verzoekjes, voor foto’s, voor korte gesprekjes.

Dat is het NK Clubs, waar junioren en senioren op vier afstanden strijden om zich de beste schaatsvereniging van Nederland te mogen noemen. Bekende namen tussen de onbekende namen. Voor De Jong is zo’n 1.000 meter een ideaal trainingswedstrijdje voordat ze een dag later met de andere grote namen naar het trainingskamp in Inzell vertrekt, voor de clubs een kans om met hun sterren te pronken. En voor kinderen een kans dicht bij hun helden te komen.

Een hechte band met HCH heeft De Jong niet meer. „Dat verwatert best snel”, zegt ze. „Waar je na je club heen gaat, wordt je nieuwe team. Er zijn nog wel mensen van vroeger die ik ken, maar er blijft een beperkt groepje over. Hoe ouder je wordt, hoe meer je interesses veranderen.” HCH kan haar wel altijd bellen voor een prijsuitreiking, dan komt ze keurig opdraven. „Zo blijf ik toch wat betrokken. Ik vond het vroeger ook leuk de mensen te zien tegen wie ik opkeek.”

Binding met club

Het is een van de redenen dat Sicco Janmaat, oud-schaatser en nu trainer bij Lotto-Jumbo, vorig jaar met het NK Clubs begon. „Ik dacht: hoe kan ik invloed hebben op de talentontwikkeling en kinderen motiveren voor de wedstrijdsport? Maar het is in het schaatsen ook zo: vrij snel kom je als schaatser vanuit de club in de selectie van het gewest en verlies je de binding met de club.”

Volgens Janmaat wordt schaatsers weleens verweten te weinig te doen voor hun clubs, of voor de sport als geheel. „Sven Kramer en Ireen Wüst gaan prima met kinderen op de foto, maar zij weten ook: ik moet presteren, en dan lig ik liever op bed en bereid ik me voor op volgende wedstrijden. Maar op deze manier kunnen ze trainen en tegelijk voor hun club iets doen.” Wüst rijdt zaterdag ook een 1.000 meter namens haar oude vereniging IJsclub Tilburg. Kramer is er in tegenstelling tot vorig jaar niet.

Clubbinding is niet zo vanzelfsprekend, blijkt wel als je rondvraagt. Natuurlijk vergeten schaatsers hun roots niet, maar de betrokkenheid bij hun oude clubs verschilt nogal. De een wordt erelid gemaakt, de ander komt nog eens kijken bij clubkampioenschappen, geeft een peptalk of een training. De een komt jaarlijks een keer medailles uitreiken, de ander gaat nog trouw mee op het fietsweekend in de Ardennen. Het is het verschil tussen een band met „alleen je licentienummer en de contributie die je betaalt” en echte clubliefde, zoals sprinter Hein Otterspeer het verwoordt.

HCH heeft als club in het hart van schaatsgek Friesland veel bekende schaatsers voortgebracht. De Jong, Kramer, sprinter Jesper Hospes, in het verleden onder meer Sijtje van der Lende. Maar het is een vereniging van komen en gaan, volgens De Jong – dat maakt een hechte band lastig. Voorzitter Alfred Stel beaamt dat. Zo zal Kramer echt nog wel HCH willen noemen in een krantenartikel, vertelt hij, maar is van intensief contact geen sprake. Zeker nu hij buiten Friesland woont. De topsportcarrières van de schaatsers beperken hun betrokkenheid, zegt Snel. „We hopen dat ze die betrokkenheid weer meer tonen als ze eenmaal gestopt zijn. Als trainer bijvoorbeeld.”

Clubbinding werkt twee kanten op, zegt Janmaat. Zo komt hij zelf van een vereniging, Hardrijders Club Amsterdam, die er in zijn geval niet bepaald veel in investeert. „Ik geloof dat ik één keer ben gevraagd een warming-up te geven, om vervolgens gebeld te worden: we hebben al iemand anders.” Clubs realiseren zich onvoldoende dat ze macht hebben, zegt hij. Vorig jaar werd hij zelfs gevraagd door een club of híj contact kon zoeken met hun eigen oud-schaatsers.

Familiegevoel

Eén club is het ultieme voorbeeld. Zowel voor andere clubs als voor de schaatsers, al noemt De Jong deze club „echt extreem”. Het gaat om STV Lekstreek, de vereniging van oud-topschaatsers Hein Vergeer en Leo Visser, nu van Hein Otterspeer en Patrick Roest. Zij hebben altijd tijd voor hun club en de club ook voor hen. Hun vrienden zitten daar, niets is te veel moeite, ook al reizen ze de hele wereld rond. De club reist ze achterna bij grote toernooien, zoals vorig jaar de wereldkampioenschappen afstanden in Inzell en komend seizoen het WK allround en sprint in Hamar. En als ze er niet bij kunnen zijn, dan zorgen ze wel voor een Facetime-verbinding. Zoals vorig jaar, toen Roest in Calgary voor de tweede keer wereldkampioen allround werd.

„We zijn een uitzondering”, zegt voorzitter Berit van Dobbenburgh. „Onze toppers voelen zich écht lid.” Ze komen op de clubfeesten, gaan mee op clubweekenden. De ouders van Roest zijn nog nauw betrokken bij Lekstreek, dat is volgens Van Dobbenburgh „het familiegevoel” daar. „Bij ons kwam uit een bejaardentehuis in Lekkerkerk de vraag of Patrick niet een bakje koffie met ze wilde drinken. Leuk als hij dat doet, denken wij, en zijn ouders zeggen dat ook tegen hem. Een week later zit hij er.” Toppers voortbrengen, maar ook dicht bij je houden, geeft het jeugdschaatsen in de regio ook een boost, zegt ze. „We hebben voor de jeugd nu een wachtlijst.”

Roest rijdt zaterdag een nieuw baanrecord op de 3.000 meter, voortgestuwd door enkele tientallen leden van STV Lekstreek in het blauw, die hem vanaf de tribune en in de bocht vanachter de boarding toeschreeuwen. Zijn club was al kansloos voor prolongatie van de titel – die gaat naar de Alkmaarsche IJsclub – maar toch wilde hij per se een snelle tijd rijden. „Je wilt een goede prestatie voor ze neerzetten. Ze vinden het mooi als ik hard rijd, dus het is fijn dat ik dat kan laten zien voor ze.”

Na zijn rit krijgt Roest, uithijgend op een bankje, complimenten van zijn oude club. Al snel vormt zich een rij kinderen met hun ouders, die allemaal om zijn aandacht vragen. Even een foto, een praatje. Het is allemaal jeugd van andere verenigingen. Clubgevoel is één ding, maar een schaatser van het kaliber Roest overstijgt nou eenmaal de club.

Correctie 7 oktober: in een eerdere versie van dit artikel werd de ijsvereniging van Patrick Roest en Hein Otterspeer SV Lekstreek genoemd. De club heet STV Lekstreek.