Recensie

Recensie Muziek

Nick Cave klinkt zwaarmoedig en gewijd op Ghosteen

Van zanger Nick Cave verscheen dit weekend het zeventiende album Ghosteen. Steeds sterker lijken de liedjes uiting te geven aan zijn behoefte aan het hogere, gevangen in ijle klanken. Gitaar en drums zijn verdwenen.

Zanger Nick Cave op het Jazz Festival in Montreux, 2018
Zanger Nick Cave op het Jazz Festival in Montreux, 2018 Foto Laurent Gillieron/EPA

In de loop van veertig jaar hebben Nick Cave en zijn handlangers zich een eigen route gehakt door het woud van de popmuziek. Ze wandelden van woeste punk in de jaren zeventig naar knoestige blues in de jaren tachtig, naar dramatische ballades in de jaren negentig, naar gedisciplineerde rock in de jaren nul, naar beschaafde blues in de daarop volgende periode. En toen?

Toen arriveerde de groep op een open plek in het bos, waar niemand eerder geweest was. Voortgedreven door persoonlijke lotgevallen vonden de bandleden hier een toevluchtsoord waar een nieuwe, nog onontgonnen muziekstijl kon ontstaan. Muziek die geen drums meer nodig heeft en nauwelijks nog gitaar. Muziek die drijft op trage dosering. Waar een sacrale sfeer wordt opgewekt door middel van glazige strijkers, synthetische rillingen en engelachtige koorzang.

Zwaarmoedig en gewijd, zo klinkt het zeventiende album, Ghosteen, van de van oorsprong Australische, maar al decennia lang in Engeland wonende popheld Nick Cave (62).

Versmelting met het hogere

Nog meer dan Skeleton Tree (2016), het eerste album dat Cave uitbracht na de dood van zijn zoon Arthur in 2015, lijken de nieuwe liedjes uiting te geven aan zijn behoefte aan versmelting met het hogere. Het hogere – dat wat het aardse ontstijgt – wordt hier geschetst in langgerekte, ijle klanken, die een stralend patina kregen. Het geluidsbeeld is minimalistisch. Een zachte tabla – Indiase melodieuze percussie – kabbelt samen met een lang aangehouden keyboard als water, terwijl in de verte blazers langzaam schallen. Nauwelijks hoorbare bastonen zoemen, in combinatie met tedere strijkers. Cave’s eigen pianonoten zijn spaarzaam.

De muziek, goeddeels bedacht door geluidsmagiër Warren Ellis, is daarmee definitief los gekomen van het rockgenre. Eerder doen de vliedende synthesizertonen denken aan de arrangementen die Brian Eno maakte in de jaren zeventig, bijvoorbeeld voor David Bowie’s Low. Tussen de efemere klanken kreeg Cave’s stem hier een hoofdrol. Ook die stem is veranderd. Regelmatig zwenkt de gebarsten croon-klank omhoog, naar een smekende falset, waarmee hij onvast de woorden stamelt.

Engelachtig

Die dolende stem is ontroerend in een lied als ‘Waiting For You’, met de vaak herhaalde titelwoorden, en zijn trage cadans van verlangen. Waar de koorzang van de Bad Seeds vroeger nog een droogkomisch effect had, als geleverd door dronken zeelui, is ook die nu engelachtig en precies. Al mag er nog even gelachen worden in ‘Ghosteen Speaks’, als Cave vraagt om spirituele eenwording (‘I’m within you, you are within me’) en de koortjes (‘O oh, o oh’) grappig verbaasd klinken.

Deze nieuwe nummers, waarvan sommige ruim veertien minuten duren, zijn prachtig, maar ondanks hun glanzende klank – zonder de roestige geluiden en gitaardroedels van weleer – ook zwaar. De uitgerekte composities kregen onderling minder afwisseling dan bijvoorbeeld op Skeleton Tree.

Openingstrack ‘Spinning Song’ is een enigszins luchtig nummer over de ‘King of Rock ’n’ Roll’: Elvis (waarin Cave fijntjes zijn favoriete periode aanduidt: ‘The king was first a young prince, the prince was the best’). Daarna worden de teksten gekleurd door het lijden van Jezus, tirannen en paarden met brandende manen, al brengt ‘liefde’ nog altijd verlossing. Als mens zijn we vooral eindeloos kwetsbaar, vertelt ons dit album, ‘als vuurvliegjes in de knuist van een kleine jongen’.