Opinie

Vrijheid dient de basis te zijn voor wereldhandel, en tarieven horen daar niet bij

Handelsoorlog

Commentaar

Een al vijftien jaar slepend conflict tussen vliegtuigbouwers Airbus (Europees) en Boeing (Amerikaans) over oneigenlijke staatssteun zette deze week een voet tussen de deur op het wereldtoneel. Als gevolg van een uitspraak van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) mogen de Amerikanen voor 7,5 miljard dollar (6,8 miljard euro) aan importtarieven opleggen op Europese goederen. Het resultaat: Franse kaas, Schotse whiskey, Britse truien en jassen, Duitse schroevendraaiers, Italiaanse olijfolie, en oh ja, ook Europese vliegtuigonderdelen, zullen vanaf 18 oktober 10 tot 25 procent duurder worden voor de Amerikaanse kopers ervan.

Welkom in de wereld van stijgende importheffingen, die makkelijk kan omslaan in een Europees-Amerikaanse handelsoorlog. Sinds zijn aantreden als president van de Verenigde Staten heeft Donald Trump alles op alles gezet om de in zijn ogen oneerlijke concurrentie van met name China, maar ook Europa te bestrijden met importtarieven. Dat raakt de export uit China en Europa naar de VS, maar inmiddels ook de Amerikaanse burgers en bedrijven, die voor veel producten een hogere prijs betalen. China , en in beperkte mate ook Europa, hebben in antwoord op Trumps strijd ook tarieven ingevoerd op Amerikaanse producten.

Het dispuut waar de WTO deze week een uitspraak over deed, staat eigenlijk een beetje op zichzelf. In essentie gaat het over langjarige Europese steun aan vliegtuigbouwer Airbus. Europa en de VS bestrijden elkaar hierover al jaren. Europa verwijt de VS overigens ook oneigenlijke steun te verlenen aan Boeing, in de vorm van belastingvoordelen en defensiecontracten. De WTO doet over dit deel van de zaak in 2020 een uitspraak.

Het heeft iets paradoxaals dat het instituut dat in 1995 is opgericht om vrije wereldhandel te bevorderen nu toestemming geeft om blokkades voor diezelfde vrijhandel op te werpen. Hoe onlogisch dat ook moge klinken, het is nu eenmaal het sanctiemechanisme dat de in het Zwitserse Genève gevestigde WTO ter beschikking heeft bij conflicten als deze.

Beter zou het zijn als de WTO dit soort vergeldingsacties over de volle breedte van de economie niet meer zou faciliteren. Waarom niet gewoon een schadevergoeding afdwingen van Airbus aan Boeing? Het is veelzeggend dat de landen die zich hebben aangesloten bij de WTO daar niet voor voelen. Blijkbaar verkiezen zij een slappe scheidsrechter met wiens uitspraken nog politiek te bedrijven valt boven een stevige arbiter. Dat valt te betreuren, omdat nu ‘onschuldige’ sectoren mede slachtoffer worden van oneerlijke concurrentie in een heel andere sector.

Dergelijke nuances gaan in het geopolitieke geweld verloren. Trump voegt de uitspraak van de WTO naadloos bij zijn strategie van importtarieven voor Chinese en Europese goederen.

De implicaties van de sancties laten zich inmiddels raden. Hoewel het totale bedrag van 7,5 miljard dollar maar een fractie is van de totale handel van Europa naar de VS (684 miljard dollar), is de symbolische waarde groot. Blijkbaar wordt de strijd om de economische groei in het huidige tijdsgewricht gevoerd met het actief belemmeren van de concurrent, in plaats van met eerlijke concurrentie .

Niet voor niets waarschuwen instituten als het Internationaal Monetair Fonds, de OESO, en ook het Nederlandse CPB voor de gevolgen van deze strijd. Mondiaal lopen de onzekerheden over de economische toekomst in rap tempo op. De groei vertraagt, de omslag naar een recessie nadert.

Vrijhandel is een groot goed, dat in theorie elke wereldburger in gelijke mate toegang tot de mondiale markt zou moeten kunnen bieden. Dat daar in de praktijk de hand mee wordt gelicht is geen verrassing. Deels valt daar wat voor te zeggen: als kwetsbare industrieën dreigen te verdwijnen onder druk van (te) goedkope concurrentie van elders, is in sommige specifieke gevallen steun denkbaar. Vooral als de concurrent het niet zo nauw neemt met mensenrechten, het milieu of arbeidsvoorwaarden.

De basis moet echter de vrijheid zijn. Die wordt met importtarieven en handelsoorlogen net zozeer beperkt als door oneigenlijke staatssteun aan bijvoorbeeld de vliegtuigindustrie. Het valt dan ook te hopen dat de Europese Commissie op korte termijn de gesprekken met de VS weet te heropenen over een echte oplossing van dit conflict: stoppen met staatssteun voor Airbus en Boeing. De kinderlijk eenvoudige logica van oog om oog, tand om tand kan op het schoolplein wellicht effectief lijken, voor de wereldhandel is het niet het juiste antwoord.